ECLI:NL:CRVB:2011:BR2763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking bij zorgovereenkomst familierelatie
Appellante ontving sinds 2004 een WW-uitkering en verzorgde vanaf 2003 de partner van haar overleden moeder op basis van een zorgovereenkomst met inwonend familielid, waarvoor zij loon ontving uit een persoonsgebonden budget. Na het overlijden van de zorgontvanger vroeg zij opnieuw een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij niet verzekerd was voor de WW.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens onvoldoende onderzoek, maar concludeerde dat de arbeidsverhouding werd beheerst door de familierelatie, waardoor geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de herleving van het WW-recht moest worden beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat wel degelijk een arbeidsovereenkomst bestond en dat aanwijzingen van de zorgontvanger duidden op een gezagsverhouding. De Raad overwoog dat ondanks enkele aanwijzingen, de feitelijke situatie een grote mate van zelfstandigheid en vrijheid in de uitvoering van de werkzaamheden liet zien, waardoor geen gezagsverhouding aanwezig was.
De Raad bevestigde dat de arbeidsverhouding in overwegende mate werd beheerst door de familierelatie, mede gelet op de wederzijdse aanduidingen als (stief)vader en (stief)dochter en de omstandigheden rondom de zorgverlening. Ook de weigering om de WW-uitkering te laten herleven werd bevestigd wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestaat en de arbeidsverhouding wordt beheerst door een familierelatie.