ECLI:NL:CRVB:2011:BR2703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en woonplaatsdiscussie
Betrokkene ontving vanaf 1995 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding dat betrokkene niet in zijn opgegeven woning woonde, voerde de gemeente Schiedam een onderzoek uit, waaronder observaties en verhoren. Op basis hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 januari 2006 tot en met 30 november 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat onvoldoende bewijs bestond dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf had in de woning. De gemeente ging in hoger beroep en handhaafde de intrekking en terugvordering over de periode 15 oktober tot en met 30 november 2007.
De Raad oordeelt dat de onderzoeksbevindingen voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkene in die periode niet feitelijk in de woning verbleef en dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hierdoor was de gemeente bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen over deze periode. Voor de periode 1 januari 2006 tot 14 oktober 2007 vernietigt de Raad het besluit omdat onvoldoende bewijs is geleverd.
De aanvraag om bijstand na intrekking werd terecht afgewezen omdat betrokkene niet aannemelijk maakte dat zijn omstandigheden waren gewijzigd. De Raad draagt de gemeente op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering van de kosten over de periode 15 oktober tot 30 november 2007, omdat de kosten niet uit het dossier blijken.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 juli 2011.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 1 januari 2006 tot 14 oktober 2007, maar gehandhaafd voor de periode 15 oktober tot 30 november 2007.