ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij einde wachttijd
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van vermeende arbeidsongeschiktheid die zou zijn ingetreden vóór haar 17e verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt was bij het einde van de wachttijd op 11 augustus 2002. Na bezwaar en aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek bevestigde het UWV dit standpunt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank een onjuiste maatstaf hanteerde.
De Raad stelt vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bij het einde van de wachttijd 0% bedroeg, gebaseerd op medische rapportages en een arbeidskundige beoordeling die vier geschikte functies identificeerden. De door appellante gestelde toename van klachten na 11 augustus 2002 leidt niet tot recht op een Wajong-uitkering, omdat zij bij het einde van de wachttijd niet arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van 4 augustus 2009 wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit van 4 augustus 2009 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.