ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Anw-uitkering en herziening AOW wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een AOW-pensioen voor een alleenstaande en appellante een Anw-uitkering. Naar aanleiding van een onderzoek in het kader van het project Waterproef stelde de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vast dat appellanten vanaf 3 mei 2006 een gezamenlijke huishouding voerden. Dit leidde tot beëindiging van de Anw-uitkering van appellante, herziening van het AOW-pensioen van appellant en terugvordering van te veel betaalde bedragen, inclusief een boete.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, stellende dat verklaringen van appellanten, getuigenverklaringen en brieven voldoende bewijs vormden dat sprake was van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg. Appellanten betwistten dit in hoger beroep, onder meer door de juistheid van de processen-verbaal te betwisten en aan te voeren dat de situatie een vriendendienst betrof.
De Raad oordeelde dat de SVB terecht de verklaringen en getuigenverklaringen als bewijs heeft gebruikt, ook al waren de verklaringen later deels herroepen. De Raad stelde vast dat de objectieve feiten en omstandigheden, waaronder het hoofdverblijf, wederzijdse zorg en financiële verstrengeling, voldeden aan het criterium van gezamenlijke huishouding. Subjectieve motieven en de datum van het samenlevingscontract waren niet relevant.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en oordeelde dat de beëindiging van de Anw-uitkering, herziening en terugvordering van het AOW-pensioen, en de boete terecht waren opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf 3 mei 2006 een gezamenlijke huishouding voerden en wijst de hoger beroepen af.