ECLI:NL:CRVB:2011:BU9928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en gevolgen voor nabestaandenuitkering en AOW-pensioen
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw) na het overlijden van haar echtgenoot. Sinds 1995 verhuurde zij een kamer aan een huurder, waarbij aanvankelijk sprake was van een commerciële relatie. In 2009 heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek ingesteld en vastgesteld dat appellante en de huurder een gezamenlijke huishouding voeren, wat leidde tot verlaging en beëindiging van de nabestaandenuitkering.
Appellante betwistte dit en voerde aan dat de checklist die tijdens het huisbezoek was ingevuld niet als bewijs mocht dienen, mede omdat zij de inhoud niet had kunnen controleren en onder druk had getekend. De Raad oordeelde echter dat de checklist betrouwbaar is en dat de ondertekening rechtsgeldig is, ook gezien de gelegenheid tot overleg en advies.
De Raad bevestigde dat de feitelijke situatie van wederzijdse zorg en gezamenlijke huishouding sinds 21 januari 2009 bestond, en dat de Svb terecht de nabestaandenuitkering heeft beëindigd en het AOW-pensioen heeft toegekend als voor een gehuwde of samenwonende. De hoger beroepen van appellante werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante en huurder een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor de nabestaandenuitkering wordt beëindigd en het AOW-pensioen wordt toegekend als voor een gehuwde of samenwonende.