ECLI:NL:CRVB:2010:BO4110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5673 WAO-T
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 21 lid 6 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelplicht UWV bij onderzoek door niet-geregistreerde verzekeringsarts in WAO-T zaak

De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep van betrokkene tegen een besluit van het UWV gegrond verklaarde. De rechtbank stelde vast dat het medische onderzoek in de primaire fase was uitgevoerd door artsen die niet als verzekeringsarts geregistreerd waren, en dat dit gebrek niet adequaat was hersteld in de bezwaarfase. De bezwaarverzekeringsarts had onvoldoende onderzoek gedaan, met name ten aanzien van rug-, bekken- en psychische klachten, en had de motivering onvoldoende onderbouwd.

Het UWV voerde aan dat er in de primaire fase wel lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en dat de psychische klachten niet tot meer beperkingen leidden. De Raad overwoog dat onderzoek door een niet-geregistreerde arts niet dezelfde waarde heeft als dat door een geregistreerde verzekeringsarts, en dat herstel in bezwaar alleen mogelijk is indien een geregistreerde arts beoordeelt, waarbij dossieronderzoek meestal niet volstaat.

In deze zaak was het gebrek niet afdoende hersteld, mede omdat betrokkene langdurig geen duurzaam benutbare mogelijkheden had en er onvoldoende informatie van behandelende artsen was. De Raad bevestigde dat het besluit van 22 januari 2008 in strijd was met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en vernietigde het besluit. Het UWV werd opgedragen het gebrek binnen zes weken te herstellen.

Uitkomst: Het UWV is opgedragen binnen zes weken het gebrek in het besluit van 22 januari 2008 te herstellen.

Uitspraak

09/5673 WAO-T
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
T U S S E N U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2009, 08/675 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 3 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Appellant was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer. Betrokkene is, zoals zij had bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de overwegingen 4 en 5 van de aangevallen uitspraak.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van appellant van 22 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene dient te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medische onderzoek in de primaire fase heeft plaatsgevonden door artsen die geen geregistreerde verzekeringsartsen zijn. Dit gebrek is tijdens de bezwaarschriftenprocedure door de bezwaarverzekeringsarts niet geheeld. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts wat betreft de rug- en bekkenklachten betrokkene had moeten onderzoeken. Voorts had de bezwaarverzekeringsarts wat betreft de psychische aspecten niet mogen volstaan met een (oriënterend) onderzoek tijdens de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom de inmiddels wel aanwezige informatie van de huisarts omtrent de psychische toestand van betrokkene niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen. Het betoog van de bezwaarverzekeringsarts dat de klachten zijn ontstaan na de datum in geding vindt de rechtbank onnavolgbaar omdat de klachten zijn ontstaan in november 2007, terwijl de datum in geding 20 januari 2008 is. De medische kant van de zaak is dus onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Ten slotte dient aanvullend onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige plaats te vinden.
3. Appellant heeft - middels het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 oktober 2009 - hiertegen aangevoerd dat in de primaire fase lichamelijk onderzoek is verricht door een arts. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts aangegeven dat er geen reden was om informatie op te vragen omdat betrokkene al lang niet meer onder behandeling is en dat er geen reden is om een deskundige te raadplegen. De door de huisarts gegeven informatie over de psychische toestand van betrokkene leidt niet tot het aannemen van meer beperkingen omdat geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis maar van een aanpassingsstoornis.
4. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910) kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar tegelijk zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek dan niet volstaan.
5.2. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad het hiervoor gesignaleerde gebrek niet afdoende in bezwaar hersteld. Daartoe heeft in het bijzonder voor de Raad gewogen dat bij betrokkene gedurende lange tijd sprake is geweest van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, dat de artsen die betrokkene in de primaire fase hebben onderzocht aanvankelijk tot een andere conclusie kwamen met betrekking tot de urenbeperking en dat noch die artsen noch de bezwaarverzekeringsarts beschikten over informatie van behandelende artsen. De later door betrokkene overgelegde informatie van de huisarts duidt er voorts op dat bij betrokkene (ook nog) psychische klachten bestaan. Onder deze omstandigheden is het dossieronderzoek en het bijwonen van de hoorzitting door de bezwaarverzekeringsarts ontoereikend om het gebrek te herstellen.
5.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat sprake is van gebreken in de motivering van het besluit van appellant van 22 januari 2008. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat dit besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en daarom dit besluit ook terecht vernietigd.
5.4. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.
5.5. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het hiervoor aangeduide gebrek in het besluit van 22 januari 2008 te herstellen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 22 januari 2008 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.L. Venneman.
KR