ECLI:NL:CRVB:2010:BO3238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over intrekking en terugvordering bijstand wegens verblijfsstatus
Appellant, een Chinese nationaliteit bezittende vreemdeling, diende in 1997 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Na diverse afwijzingen en rechtsprocedures werd definitief beslist dat appellant geen verblijfsrecht had. Vanaf 19 maart 1998 ontving appellant bijstand, maar het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok deze bijstand in per 9 december 2005, de datum van de definitieve uitspraak van de ABRvS over zijn verblijfsstatus.
Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking en terugvordering van bijstandskosten, stellende dat hij tijdig melding had gemaakt van de uitspraak en dat zijn recht op bijstand was blijven bestaan. De Raad stelde vast dat appellant niet met een Nederlander gelijkgesteld kon worden gedurende de periode vóór 15 juni 2007, de datum waarop hij een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling ontving.
Hoewel het College het intrekkingsbesluit baseerde op het niet melden van de uitspraak, oordeelde de Raad dat appellant wel degelijk melding had gemaakt tijdens een gesprek in januari 2006, maar dat hiervan geen verslag was opgemaakt. Hierdoor werd het intrekkingsbesluit wegens strijd met de wet vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. De terugvordering van de bijstandskosten werd bevestigd, evenals de ingangsdatum van de bijstand vanaf 15 juni 2007. Het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het intrekkingsbesluit wegens niet-melding van de verblijfsuitspraak wordt vernietigd, maar de terugvordering van bijstandskosten en de ingangsdatum van bijstand per 15 juni 2007 worden bevestigd.