ECLI:NL:CRVB:2010:BO1242
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht bij bestuurlijke boete WW
Appellant stelde hoger beroep in tegen een boete opgelegd op grond van artikel 27a van de Werkloosheidswet (WW). De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de boete vastgesteld op €450.
De Centrale Raad van Beroep wees appellant op de verplichting tot betaling van griffierecht van €111,- binnen vier weken. Appellant betwistte de betaling en stelde dat hij recht had op een onpartijdige behandeling ongeacht betaling, met een beroep op artikel 47 van Pro het Europees Handvest van de Grondrechten (HEU).
De Raad overwoog dat de uitleg van artikel 47 HEU Pro overeenkomt met artikel 6 EVRM Pro, waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beleidsruimte erkent voor het stellen van regels die de toegang tot de rechter beperken, mits het recht niet in zijn kern wordt aangetast en de beperkingen proportioneel zijn. Het heffen van griffierecht bij bestuurlijke boetes vormt geen wezenlijke inbreuk op dit recht. Omdat appellant het griffierecht niet betaalde en niet aannemelijk maakte dat dit onevenredig bezwarend was, werd het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht zonder schending van het recht op toegang tot de rechter.