ECLI:NL:CRVB:2010:BK8313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke autohandel
Appellanten ontvingen bijstand volgens de WWB en werden onderzocht vanwege mogelijke onrechtmatigheden in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2006. Uit onderzoek bij de RDW en een verklaring van appellant bleek dat auto’s op zijn naam stonden die mogelijk inkomsten genereerden. Het College trok daarom de bijstand over die maanden in en vorderde €34.812,47 terug wegens het ontbreken van een deugdelijke administratie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zich met autohandel bezighield en niet aannemelijk had gemaakt dat de auto’s van zijn zonen waren. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. Tevens stelde de Raad vast dat ook voor auto’s die naar sloopbedrijven gingen geld werd ontvangen, maar door het ontbreken van administratie niet kon worden vastgesteld welke bedragen.
Hierdoor kon het recht op bijstand over die maanden niet worden vastgesteld en kon het intrekkings- en terugvorderingsbesluit ook voor die perioden standhouden. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het intrekkings- en terugvorderingsbesluit bevestigd.