ECLI:NL:CRVB:2009:BI3426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Appellant, een voormalige tomatenplukker, viel in november 1993 uit wegens ziekte en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na herstel en terugkeer naar Marokko vroeg hij in 1997 een WAO-uitkering aan. Het UWV betaalde feitelijk ruim zeven jaar een WAO-uitkering, zonder te melden dat dit voorschotten waren. In 2001 weigerde het UWV formeel de WAO-uitkering toe te kennen per 24 november 1994, waarna appellant bezwaar maakte. Dit bezwaar werd eerst niet-ontvankelijk verklaard, later ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep stelde appellant dat de betalingen als WAO-uitkering moesten worden aangemerkt en dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig voor rekening van het UWV moest komen. De Raad oordeelde dat het UWV de uitkeringen niet als voorschotten had gekwalificeerd en dat het besluit van 15 november 2005 in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad stelde vast dat de procedure zeven jaar had geduurd, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekende, en veroordeelde het UWV tot een schadevergoeding van €3.500.
De Raad vernietigde het besluit van 15 november 2005 en beval het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van 15 november 2005 wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €3.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.