ECLI:NL:CRVB:2009:BI1723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens niet opgegeven werkzaamheden als feitelijk bestuurder
Appellant ontving sinds 1988 een WAO-uitkering, die vanaf 2000 werd aangepast op basis van zijn arbeidsongeschiktheid. Het UWV ontdekte via een frauderapport dat appellant zonder melding feitelijk als bestuurder van een bedrijf optrad en inkomsten uit die werkzaamheden niet had opgegeven, wat in strijd is met artikel 80 van Pro de WAO.
Het UWV besloot de WAO-uitkering over 2000-2002 niet uit te betalen en eiste terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. Appellant maakte bezwaar, waarbij de rechtbank oordeelde dat appellant wel werkzaamheden verrichtte, maar niet het volledige salaris van zijn echtgenote aan hem mocht toerekenen. Het UWV paste daarop het terugvorderingsbedrag aan en betaalde gedeeltelijk uit.
In hoger beroep betwist appellant de hoogte van de toegerekende inkomsten en stelt dat zijn echtgenote meer werkzaamheden verrichtte. De Raad volgt het UWV en de rechtbank dat appellant als feitelijk bestuurder optrad zonder melding en dat de inkomsten terecht zijn vastgesteld op basis van een schatting, waarbij appellant onvoldoende concrete gegevens heeft aangeleverd om dit te weerleggen.
De Raad verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2007 ongegrond en bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering over 2002 en de terugvordering van € 88.685,81. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 12 december 2007 wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.