ECLI:NL:CRVB:2008:BC7881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke WAO-uitkering ondanks betwisting wachttijd en maatmanwisseling
De werknemer was sinds juni 1997 in dienst bij appellante en meldde zich in juni 2002 arbeidsongeschikt met rug- en kuitklachten. Het Uwv kende per juni 2003 een gedeeltelijke WAO-uitkering toe, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat de werknemer de wachttijd van 52 weken niet had vervuld vanwege een vermeende hersteldmelding per februari 2003 en een maatmanwisseling door het aanvaarden van een andere functie als pompbediende.
De rechtbank verwierp deze grieven en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Raad stelde vast dat er geen bewijs was voor een daadwerkelijke hersteldmelding en dat de werknemer zich altijd op het standpunt had gesteld dat hij zich niet hersteld had gemeld. De medische en arbeidsdeskundige rapporten ondersteunden de conclusie dat de werknemer arbeidsongeschikt bleef voor zijn oorspronkelijke functie.
De Raad oordeelde dat de werknemer de wachttijd van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest, waarbij perioden van minder dan vier weken onderbreking worden samengevoegd. De aanvaarding van een andere, minder belastende en minder verdienende functie onderbreekt de wachttijd niet. De loonsuppletie kwestie viel buiten het geding. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de gedeeltelijke WAO-uitkering wordt bevestigd.