ECLI:NL:CRVB:2007:BA0853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand wegens onjuiste gezamenlijke huishouding
Appellant en [J.] ontvingen bijstand, waarbij het College bij besluit van 10 februari 2005 de bijstand over diverse perioden herzag en terugvorderde wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank vernietigde het besluit gedeeltelijk wegens ondeugdelijke motivering voor de periode 8 januari tot 31 december 1998. De Raad beoordeelde of appellant en [J.] een gezamenlijke huishouding voerden volgens artikel 3 Abw Pro/WWB.
Uit inschrijvingen bleek dat zij tot 8 juni 2001 op verschillende adressen stonden ingeschreven, en de Raad achtte onvoldoende bewijs aanwezig dat appellant zijn hoofdverblijf bij [J.] had. Politiegegevens en getuigenverklaringen boden onvoldoende grondslag voor gezamenlijke huishouding in die periode. Vanaf 8 juni 2001 was er wel sprake van gezamenlijke huishouding, ondersteund door verklaringen van [J.] en omwonenden en observaties.
De Raad oordeelde dat het College terecht de terugvordering toepaste vanaf 8 juni 2001, maar het besluit voor de eerdere periode vernietigde wegens ondeugdelijke motivering. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd voor de periode vóór 8 juni 2001 en bevestigd voor de periode daarna.