ECLI:NL:CRVB:2009:BK3687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid tot medeterugvordering van bijstand over periode 2001-2004
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond die het beroep tegen een terugvorderingsbesluit van het College ongegrond verklaarde. Het College had bijstand teruggevorderd van appellant over de periode van 8 juni 2001 tot en met 30 november 2004, omdat appellant en [J.] een gezamenlijke huishouding voerden en de inlichtingenverplichting niet was nagekomen.
Eerder had de Raad in een uitspraak van 6 maart 2007 vastgesteld dat appellant en [J.] een gezamenlijke huishouding voerden binnen de betekenis van de WWB en dat het College bevoegd was tot medeterugvordering. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie tegen deze uitspraak ongegrond, waardoor deze uitspraak kracht van gewijsde kreeg.
In het onderhavige hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan en dat er geen sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding. De Raad heeft deze gronden echter buiten beschouwing gelaten, omdat de bevoegdheid tot medeterugvordering reeds vaststaat en het beleid van het College niet onredelijk is. Daarnaast zijn geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen in eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de bevoegdheid van het College tot medeterugvordering van bijstand over de periode 2001-2004 en verklaart het hoger beroep ongegrond.