ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Onverbindendheid van maximering urenomvang maatman in Schattingsbesluit 2004 bevestigd
Betrokkene, werkzaam als agrarisch medewerkster, ontving sinds 17 juli 2001 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, trok de WAO-uitkering per 1 april 2005 in, mede op grond van de maximering van de urenomvang van de maatman zoals geregeld in het Schattingsbesluit 2004.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat deze regeling onverbindend is omdat zij het beginsel van feitelijke inkomstenderving verlaat. Dit oordeel werd door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. De Raad stelde dat het Schattingsbesluit 2004, voor zover het afwijkt van het beginsel van feitelijke inkomstenderving in de artikelen 9 en 10, geen verbindende kracht heeft.
Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Tevens werd appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Hiermee blijft het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering niet in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd.