ECLI:NL:CRVB:2005:AU9005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en verhaalsbijdrage niet in mindering
Appellante ontving vanaf augustus 1998 bijstand als alleenstaande ouder. Na melding dat zij samenwoonde met haar partner, stelde de sociale recherche een onderzoek in. Dit leidde tot een besluit van de gemeente om de bijstand over de periode 26 juli 2001 tot en met 31 juli 2002 in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De Raad beoordeelde of appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden. Gezien het feit dat zij een kind samen hadden en er voldoende aanwijzingen waren dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, concludeerde de Raad dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dit leidde tot het oordeel dat appellante ten onrechte bijstand als alleenstaande ontving.
Appellante voerde aan dat de strafrechter haar slechts deels had veroordeeld en dat de verhaalsbijdrage van haar partner in mindering moest worden gebracht. De Raad verwierp deze bezwaren, stellende dat de bestuursrechter niet gebonden is aan strafrechtelijke uitspraken en dat de verhaalsbijdrage niet op het terugvorderingsbedrag in mindering wordt gebracht, maar wel als bevrijdend geldt bij de invordering.
De Raad bevestigde daarmee het besluit tot terugvordering en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en oordeelt dat de verhaalsbijdrage niet in mindering wordt gebracht op het terugvorderingsbedrag.