ECLI:NL:CRVB:2005:AT7558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening IOAW-uitkering en periodieke indexering volgens wetgeving
Appellante kreeg een IOAW-uitkering toegekend die abusievelijk op een te hoge grondslag was vastgesteld. Na correctie stelde de gemeente een lagere uitkering vast zonder deze periodiek te indexeren volgens artikel 5, zesde lid, van de IOAW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de wet geen periodieke aanpassing voor uitkeringen op grond van artikel 9, vierde lid, voorschrijft.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat ook de uitkering die is gemaximeerd volgens artikel 9, vierde lid, periodiek dient te worden aangepast overeenkomstig artikel 5, zesde en zevende lid. Dit wordt bevestigd door een circulaire van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Raad wijst het argument af dat appellante afhankelijk is van de Algemene bijstandswet voor aanpassing, omdat appellante geen aanspraak op aanvullende Abw-uitkering heeft.
Verder wordt het beroep op een verhoging wegens afschaffing van de Overhevelingstoeslag afgewezen op grond van de Wet BOL. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt de gemeente een nieuw besluit te nemen waarin de periodieke indexering wordt toegepast. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit dat de IOAW-uitkering niet periodiek wordt geïndexeerd wordt vernietigd en de gemeente wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met toepassing van periodieke indexering.