ECLI:NL:CRVB:2005:AT5537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Toepassing van Wet Flexibiliteit en zekerheid op opzegtermijn bij faillissement werkgever
Werknemer, ouder dan 45 jaar op 1 januari 1999, verzocht het Uwv om de betalingsverplichting van zijn failliet verklaarde werkgever over te nemen met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. Het Uwv weigerde het loon over de opzegtermijn boven zes weken over te nemen, verwijzend naar artikel 64 van Pro de WW en artikel 40 van Pro de Faillissementswet.
De Centrale Raad van Beroep beantwoordde de vraag of artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, dat een overgangsregeling bevat voor werknemers van 45 jaar en ouder, ook moet worden betrokken bij de opzegtermijn die de curator in acht moet nemen. De Raad bevestigde dit en oordeelde dat deze bepaling ook geldt bij toepassing van artikel 40 van Pro de Faillissementswet en artikel 64 van Pro de WW.
Het Uwv stelde dat de overnemingsverplichting beperkt is tot de maximale termijn van zes weken zoals genoemd in artikel 40 Fw Pro, maar de Raad verwierp dit standpunt. De Raad vond geen reden om de uitleg van de bepalingen afhankelijk te maken van de wet waarin zij worden aangehaald en wees op het beschermingsdoel van artikel XXI.
De Raad concludeerde dat het Uwv ten onrechte de betalingsverplichting heeft gemaximeerd op zes weken en bevestigde de uitspraak van de rechtbank die dit standpunt verwierp. Tevens werd bepaald dat het Uwv een recht van €414 aan werknemer moet betalen.
De uitspraak verduidelijkt dat oudere werknemers bij faillissement aanspraak kunnen maken op een langere opzegtermijn dan zes weken, conform de overgangsregeling van de Wet Flexibiliteit en zekerheid.
Uitkomst: Het Uwv moet de opzegtermijn van oudere werknemers langer dan zes weken overnemen bij faillissement van de werkgever.