ECLI:NL:CRVB:2005:AT5201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Overname achterstallige betalingsverplichtingen failliete werkgever niet juist gemaximeerd op zes weken
Werknemer, ouder dan 45 jaar op 1 januari 1999, verzocht het UWV om de achterstallige betalingsverplichtingen van zijn failliet verklaarde werkgever over te nemen met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV weigerde het loon over de opzegtermijn die zes weken overschreed over te nemen, verwijzend naar artikel 64 van Pro de WW en artikel 40 van Pro de Faillissementswet (Fw).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, dat oudere werknemers beschermt door hun recht op een langere opzegtermijn te behouden, ook moet worden betrokken bij de toepassing van artikel 40 van Pro de Fw en daarmee bij de uitleg van artikel 64 van Pro de WW. De Raad stelt dat het UWV ten onrechte de overname van de betalingsverplichtingen heeft gemaximeerd op zes weken.
De uitspraak vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de kosten van de appellant en wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het UWV moet de overname van achterstallige betalingsverplichtingen van de failliete werkgever niet beperken tot zes weken, maar rekening houden met de langere opzegtermijn voor oudere werknemers volgens artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid.