ECLI:NL:CRVB:2005:AT3981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ureneis en cyclische werkloosheid bij weigering WW-uitkering
Appellant, werkzaam als tennisleraar en medewerker groenvoorziening, vroeg een WW-uitkering aan wegens arbeidsurenverlies per 1 juli 2001. Gedaagde stelde dat appellant niet voldeed aan de ureneis van de Werkloosheidswet (WW), omdat het arbeidsurenverlies onvoldoende was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het beroep op artikel 4b van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren af, omdat geen cyclisch arbeidspatroon was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel een wisselend arbeidspatroon met een cyclus had en dat hij daarom op basis van die regels beoordeeld moest worden. De Raad overwoog dat gedaagde het urenverlies terecht had berekend volgens de hoofdregel van artikel 16, tweede lid, van de WW, en dat toepassing van artikel 4b van de Regeling niet tot een gunstiger resultaat zou leiden.
De Raad stelde vast dat appellant bij beide tennisverenigingen inderdaad een wisselend arbeidspatroon met een cyclus had, maar dat op het moment van het arbeidsurenverlies geen verwachting bestond dat het arbeidspatroon zou wijzigen. Ook het feit dat het aantal gewerkte uren bij de werkgever in vaste dienst niet de volledige periode besloeg, leidde niet tot een andere uitkomst. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.