ECLI:NL:CRVB:2005:AS3665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R.C. Stam
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling boetebeleid bij voortgezette overtredingen sociale verzekeringswetgeving
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen over opgelegde boetes wegens onjuiste loonopgave over de jaren 1996 tot en met 2000.
De rechtbank had de boete over het jaar 2000 verlaagd van 37,5% naar 25% van de nageheven premie, omdat zij oordeelde dat de overtreding over 2000 onderdeel uitmaakte van een voortgezette overtreding over de jaren 1997 tot en met 2000 en dus niet als een tweede vergrijp mocht worden beschouwd.
Het UWV stelde dat voor overtredingen na 1 januari 2001 het nieuwe boeteregime geldt en dat de overtreding over 2000 daarom apart moest worden beoordeeld. De Raad oordeelde dat de beleidsregel in het Besluit toepassing bestuurlijke boeten 2001 die voortgezette overtredingen als één overtreding in het jaar van constatering beschouwt, niet onverkort toepasbaar is omdat dit in strijd is met artikel 9 van Pro het Boetebesluit.
De Raad stelde dat het doel van de beleidsregel is om te voorkomen dat een hogere boete wegens recidive wordt opgelegd bij voortgezette overtredingen die tegelijkertijd worden geconstateerd. Daarom moet over alle jaren een boete van 25% worden opgelegd, passend bij een eerste overtreding. De uitspraak van de rechtbank wordt op deze grond bevestigd.
Er zijn geen proceskosten toegekend in hoger beroep.
Uitkomst: De boete over 2000 wordt verlaagd tot 25% van de nageheven premie conform het beleid voor voortgezette overtredingen.