ECLI:NL:CRVB:2005:AU5938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onjuiste toepassing recidive bij naheffing premie sociale verzekeringen
Appellante, een onderneming actief in handel en montage van systeemhallen, had een managementovereenkomst gesloten met haar statutair directeur, die tevens via een persoonlijke vennootschap een derde van de aandelen hield. De vraag was of deze directeur in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond, wat de verzekeringsplicht en premieheffing beïnvloedde.
De rechtbank oordeelde dat aan de vereisten van een privaatrechtelijke dienstbetrekking was voldaan en verklaarde het beroep ongegrond. De Raad onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat de managementfee als loon moet worden aangemerkt en dat de directeur, ondanks zijn minderheidsaandeel, onder gezagsuitoefening viel.
Betreffende de opgelegde boetes wegens onvolledige loonopgave over de jaren 1998-2001, stelt de Raad vast dat appellante grove schuld heeft. De boetes over 1998 en 1999 zijn terecht vastgesteld op 25%. Voor 2000 en 2001 was echter onterecht een verhoogde boete van 37,5% wegens recidive opgelegd. De Raad vernietigt dit deel van het besluit omdat de beleidsregel die recidive moet voorkomen hier onjuist is toegepast.
De Raad veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van proceskosten en betaalde griffierechten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor de boetes over 2000 en 2001.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de boetes over 2000 en 2001 worden vernietigd wegens onjuiste toepassing van recidive.