ECLI:NL:CRVB:2003:AN7856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling passend werk bij werkgever als besluit in bestuursrechtelijke zin
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch die het bezwaar van de werknemer gegrond verklaarde tegen de vaststelling dat bij zijn werkgever geen passend werk voor hem beschikbaar was. De werknemer betwistte deze vaststelling en stelde dat hij wel passend werk kon verrichten binnen het bedrijf. Tevens stelde hij dat hij niet betrokken was bij het reïntegratieplan.
De Raad oordeelt dat de vaststelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet REA een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is, omdat het externe rechtsgevolgen heeft, namelijk de overgang van de reïntegratieverplichting van werkgever naar Uwv. De brief van 11 februari 1999 en het besluit van 2 maart 1999 moeten in samenhang worden gelezen als een besluit dat deze vaststelling bevat.
De inhoudelijke beoordeling door de rechtbank dat het reïntegratieplan onvoldoende zorgvuldig is opgesteld en dat het besluit onvoldoende is voorbereid, wordt door de Raad onderschreven. De Raad bevestigt de vernietiging van het besluit en bepaalt dat Uwv een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Tevens veroordeelt de Raad Uwv in de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: De vaststelling dat bij de werkgever geen passend werk beschikbaar is wordt als besluit in de zin van de Awb aangemerkt en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding.