ECLI:NL:CRVB:2008:BC4475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie bij WAO-aanvraag en re-integratie-inspanningen werkgever
Betrokkene diende een WAO-aanvraag in waarbij zij tevens stelde dat de werkgever een loonsanctie moest krijgen wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV nam de WAO-aanvraag in behandeling zonder het re-integratieverslag inhoudelijk te beoordelen en legde geen loonsanctie op. De rechtbank oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en vernietigde het besluit, stellende dat het UWV het re-integratieverslag had moeten beoordelen en de loonsanctie had moeten opleggen indien de werkgever tekort was geschoten.
In hoger beroep stelde het UWV dat de beoordeling van de loonsanctie een separaat besluit is dat niet samenvalt met de WAO-uitkeringsaanvraag en dat het niet beoordelen van het re-integratieverslag geen materiële gevolgen had voor betrokkene. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit op de WAO-aanvraag geen besluit is dat betrekking heeft op de loonsanctie en dat het verzoek om een loonsanctie apart beoordeeld moet worden. Omdat betrokkene pas in bezwaar om een loonsanctie vroeg, was het UWV niet verplicht deze in het oorspronkelijke besluit te behandelen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. Tevens bepaalde de Raad dat het bezwaar van betrokkene als aanvraag moet worden aangemerkt waarop het UWV een apart besluit moet nemen. Dit arrest verduidelijkt de scheiding tussen de beoordeling van WAO-uitkeringsaanspraken en het opleggen van loonsancties aan werkgevers.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van het UWV ongegrond.