ECLI:NL:CRVB:2003:AL1609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.Th. Wolleswinkel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde toeslag ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving onverschuldigd toeslag over de periode 31 augustus 1998 tot 1 november 1999, nadat zijn echtgenote een uitkering op grond van de WAZ kreeg. Gedaagde, het UWV, vorderde deze toeslag terug bij besluit van 13 januari 2000, wat bij bezwaar en beroep werd gehandhaafd.
Appellant stelde dat het UWV te lang had stilgezeten met terugvordering, ondanks dat het bij toekenning van de WAZ-uitkering aan zijn echtgenote op de hoogte was van de toeslag, en dat dit een schending van het vertrouwensbeginsel opleverde. De Raad oordeelde dat het stilzitten geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien, mede omdat appellant zelf niet tijdig melding had gedaan van de inkomsten van zijn echtgenote.
De Raad benadrukte dat het vertrouwensbeginsel niet automatisch leidt tot het afzien van terugvordering en dat alleen in uitzonderlijke gevallen met onaanvaardbare consequenties kan worden afgezien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag en wijst het beroep op bijzondere omstandigheden af.