ECLI:NL:CRVB:2005:AU0911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en dringende redenen bestuursrecht
De zaak betreft een geschil over de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen aan gedaagde. Het UWV had aan gedaagde een voorschot verstrekt op grond van een volledige arbeidsongeschiktheid, maar later vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Vervolgens werd het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.
De rechtbank had het bezwaar van gedaagde tegen de terugvordering gegrond verklaard, omdat het UWV niet aannemelijk had gemaakt waarom de beslissing omtrent het recht op WAO-uitkering bijna twee jaar op zich had laten wachten. Dit werd gezien als een schending van het fair play-beginsel en zorgvuldigheidsbeginsel.
In hoger beroep stelt het UWV dat het geen discretionaire bevoegdheid heeft om af te zien van terugvordering, tenzij er dringende redenen zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat stilzitten van het bestuursorgaan geen dringende reden oplevert en dat alleen bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden een afwijking van de hoofdregel kunnen rechtvaardigen.
De Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank over de dringende reden en verklaart het hoger beroep van het UWV ongegrond, waarmee de terugvordering in stand blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde WAO-uitkering blijft in stand.