ECLI:NL:CRVB:2002:AE5579

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/783 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. E-11 AmbtenarenreglementArt. E-23 Ambtenarenreglement
Verwijzingen
9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek doorbetaling bezoldiging en aanvulling invaliditeitspensioen wegens onvoldoende abnormale werkomstandigheden

Appellant, sinds 1976 werkzaam als organisatiedeskundige bij de gemeente, verzocht in 1988 en later in 1997 om doorbetaling van zijn volledige bezoldiging tijdens ziekte en aanvulling van zijn invaliditeitspensioen. Dit verzoek werd door het College van burgemeester en wethouders afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de rechtbank, die zijn beroep ongegrond verklaarde.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het geschil verder behandeld. Appellant voerde aan dat de werkomstandigheden, met name tussen 1982 en 1986, abnormaal en excessief waren en hebben geleid tot zijn arbeidsongeschiktheid. De Raad overwoog dat bij psychische ziekte niet alleen een oorzakelijk verband moet bestaan tussen ziekte en werk, maar ook dat de omstandigheden een abnormaal of excessief karakter moeten hebben.

De Raad constateerde dat hoewel er problemen en conflicten waren binnen de organisatie, waaronder het opzeggen van samenwerking door medewerkers en reorganisaties, deze omstandigheden niet afdoende waren om te spreken van abnormale of excessieve werkomstandigheden. Tevens werd meegewogen dat appellant zelf een starre houding aannam en onvoldoende oog had voor ambtelijke en bestuurlijke verhoudingen.

Daarmee werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. De Raad zag geen reden om het geding aan te houden voor het horen van een getuige, aangezien de relevante feiten voldoende bekend waren. Het verzoek tot doorbetaling en aanvulling van het pensioen werd daarmee definitief afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot doorbetaling en aanvulling van het invaliditeitspensioen bevestigd.

Uitspraak

00/783 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [B.], gedaagde.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 4 januari 2000, nr. 99/979 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop appellant nader heeft gereageerd. Voorts heeft appellant een getuige aangemeld.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, werkzaam bij CAPRA, en R. de Boer, werkzaam bij de gemeente [B.].
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is met ingang van 1 augustus 1976 aangesteld als organisatiedeskundige in de functie van eerste medewerker van de afdeling organisatie van de toenmalige directie Personeel en Organisatie (P & O) bij de gemeente [B.]. In 1981/1982 is een veranderingsproces bij de afdeling P & O in gang gezet, hetgeen ook gevolgen had voor de taakverdeling binnen de afdeling organisatie. Sinds begin 1982 hebben zich in toenemende mate discussies voorgedaan tussen appellant, zijn leidinggevende en zijn ondergeschikten over de onderlinge taakverdeling, welke uiteindelijk op 3 februari 1983 hebben geleid tot een weigering door de drie medewerkers van appellant, die inmiddels hoofd van de afdeling was, om hem nog langer als chef te accepteren. Hierna heeft de chef van appellant de taken van appellant tijdelijk waargenomen. In juli 1984 is appellant ontheven uit zijn functie en tijdelijk geplaatst op het bestuurssecretariaat, met welke plaatsing appellant akkoord is gegaan. Na een reorganisatie is appellant vervolgens met ingang van 1 februari 1986 geplaatst in de functie van beleidsmedewerker organisatie. Na eerdere kortdurende ziekteperiodes heeft appellant die werkzaamheden begin december 1986 wegens ziekte volledig gestaakt, waarna aan hem met ingang van 1 september 1988 eervol ontslag is verleend op grond van blijvende ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek.
Inmiddels was de functie van hoofd van de afdeling organisatie gewaardeerd, waaruit diverse gerechtelijke procedures tussen appellant en gedaagde zijn voortgevloeid.
1.2. Appellant heeft gedaagde medio 1988 verzocht om met toepassing van de artikelen E-11, derde lid, en E-23, eerste lid, van het toen geldende Ambtenarenreglement zijn volledige bezoldiging door te betalen tijdens zijn ziekte en zijn invaliditeitspensioen aan te vullen, welk verzoek, nadat gedaagde aan appellant had verzocht zijn verzoek te motiveren, in 1997 een vervolg heeft gekregen. Bij besluit van 17 december 1997 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde deze afwijzing gehandhaafd bij besluit van 18 december 1998.
1.3. De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit van gedaagde ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.
3. Allereerst wordt overwogen dat de Raad geen aanleiding ziet het verzoek van appellant om de behandeling van het geding aan te houden in verband met het horen van een getuige, die verhinderd was ter zitting te verschijnen, te honoreren. Met betrekking tot de door appellant bij de (op 12 februari 2002 verzonden) uitnodiging aan de getuige aangegeven ervaringen en werkomstandigheden in de periode van 1981 tot mei 1984, die bij dat horen aan de orde zouden moeten komen, is thans op grond van de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van de Raad reeds voldoende bekend.
4. Met betrekking tot het geschil ten gronde wordt het volgende overwogen.
4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie CRvB 3 oktober 1996, TAR 1996, 2000) geldt voor toepassing van regelingen als de onderhavige, in een geval waarbij de ziekte van psychische aard is, hetgeen hier aan de orde is, als eis dat niet alleen sprake moet zijn van een oorzakelijk verband tussen de (psychische) ziekte en de werkzaamheden of de omstandigheden waaronder deze dienden te worden verricht, maar dat tevens en allereerst dient vast te staan dat die werkzaamheden of die omstandigheden een abnormaal of excessief karakter hadden. Derhalve dient eerst te worden bezien of er - kort gezegd - met betrekking tot de werkzaamheden die appellant tot april 1986 heeft verricht sprake was van abnormale of excessieve werkomstandigheden welke - objectief bezien - tot arbeidsongeschiktheid moesten leiden.
4.2. Appellant heeft in dit kader een groot aantal omstandigheden naar voren gebracht, welke zich met name in de periode van februari 1982 tot juli 1984 en in 1986 hebben voorgedaan en die naar zijn oordeel in totaal bezien abnormale of excessieve omstandigheden in voornoemde zin opleveren.
4.3. De Raad kan appellant in zoverre volgen, dat er tijdens zijn dienstverband bij gedaagde een aantal gebeurtenissen in genoemde periodes zijn aan te wijzen waardoor appellant problemen heeft ondervonden. Deze gebeurtenissen zijn ook niet alle aan te merken als gebruikelijke ongemakken in een ambtelijke organisatie of als gewone reorganisatieperikelen. De Raad acht bijvoorbeeld de wijze waarop door de leidinggevenden van appellant is gereageerd op het opzeggen van de samenwerking door zijn medewerkers in februari 1983 van weinig steun voor appellant getuigen, hetgeen bezien vanuit de geldende verhoudingen in eerste instantie wel voor de hand zou hebben gelegen. Verder verdient de wijze waarop appellant op 9 oktober 1996 is geconfronteerd met een wijziging in zijn takenpakket en de organisatorische setting waarin die zouden moeten worden verricht, gezien het bij gedaagde bekende standpunt van appellant daaromtrent, naar het oordeel van de Raad evenmin een schoonheidsprijs. Bij deze en andere gebeurtenissen dient echter in aanmerking te worden genomen dat appellant in het ontstaan van de problemen ook zelf een niet onaanzienlijk aandeel heeft geleverd door zich veelal onwrikbaar op te stellen en zaken met name vanuit zijn eigen positie te bezien, met te weinig oog voor de ambtelijke en bestuurlijke verhoudingen en voor het belang van de organisatie.
De Raad heeft verder onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat hij willens en wetens "de grond zou zijn ingeboord". Weliswaar zou een slagvaardiger optreden door leidinggevenden van appellant en door gedaagde in een aantal gevallen aan te bevelen zijn geweest, maar de Raad heeft anderzijds geconstateerd dat, ondanks de vaak starre opstelling van appellant, langdurig is getracht hem passende werkzaamheden op zijn eigen werkterrein aan te bieden.
Al met al acht de Raad een en ander onvoldoende om te concluderen dat sprake is geweest van abnormale of excessieve werkomstandigheden in voornoemde zin. Ook de wijze waarop appellant de afhandeling van zijn bezwaren omtrent de waardering van zijn functie heeft ervaren kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.
5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, zodat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2002.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.
HD.Q