ECLI:NL:CRVB:2001:AB1845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 39a WAO bij toename arbeidsongeschiktheid zonder medische achteruitgang
Het geschil betreft de weigering van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) om de WAO-uitkering van gedaagde te verhogen op grond van artikel 39a van de WAO. Gedaagde was werkzaam als croupier en zaalchef, maar viel uit wegens psychische klachten en fysieke aandoeningen. Na herstel hervatte hij zijn werkzaamheden deels, maar zijn werkgever beperkte zijn inzetbaarheid vanwege het niet slagen voor bijscholingscursussen.
De rechtbank vernietigde het besluit van Lisv omdat zij oordeelde dat ook bij ongewijzigde medische beperkingen een toename van arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden mogelijk was, waarvoor een herbeoordeling nodig was. Lisv stelde in hoger beroep dat artikel 39a WAO alleen ziet op een toename van medische beperkingen en dat zonder medische achteruitgang geen arbeidskundige beoordeling vereist is.
De Raad oordeelt dat artikel 39a WAO uitsluitend betrekking heeft op toename van arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde medische oorzaak. Indien geen medische achteruitgang is, is een arbeidskundige beoordeling niet aan de orde. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Tevens merkt de Raad op dat Lisv inmiddels een integrale beoordeling met arbeidskundige aspecten heeft uitgevoerd met een reguliere wachttijd.
De uitspraak bevestigt de beperkte reikwijdte van artikel 39a WAO en benadrukt dat arbeidskundige toename van beperkingen zonder medische achteruitgang niet onder deze bepaling valt.
Uitkomst: Het beroep van Lisv wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering verhoging WAO-uitkering blijft in stand.