ECLI:NL:CRVB:2000:AA7189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid bij terugvordering teveel betaalde WAO-uitkering
In deze zaak vorderde het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) terugbetaling van een bedrag van f 11.197,94 aan teveel betaalde WAO-uitkering aan A over de periode van 1 januari 1992 tot 1 juli 1993. Het vermoeden van onterecht betaalde uitkering ontstond begin april 1993 na ontvangst van een inkomstenopgaveformulier van A. Ondanks dit vermoeden heeft Lisv ruim drie jaar gewacht met het nemen van een terugvorderingsbesluit, wat door de rechtbank en de Raad als een schending van de zorgvuldigheidsnorm uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd beoordeeld.
De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit en matigde het terug te vorderen bedrag met 10%, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en schending van artikel 6 EVRM Pro. De Raad bevestigde dat de termijn voor voortvarend handelen moet worden gerekend vanaf het moment dat het vermoeden van onrechtmatige betaling ontstond, en niet vanaf het intrekkingsbesluit. Daarnaast oordeelde de Raad dat het bestuur zich nader moet beraden over de uitoefening van de terugvorderingsbevoegdheid, aangezien het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid.
Het hoger beroep slaagde deels: de Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank toepassing gaf aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, maar bevestigde de rest van de uitspraak. Tevens werd Lisv veroordeeld in de proceskosten van A.
Uitkomst: De Raad vernietigt het deel van de uitspraak over artikel 8:72 Awb en bevestigt de rest; Lisv moet de terugvordering met meer voortvarendheid opnieuw uitvoeren.