Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7689

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 1998
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
98/2595 BPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid tot herziening van uitspraak op verzoek voorlopige voorziening

In deze zaak verzocht A. de Centrale Raad van Beroep om terug te komen op een uitspraak van de President van 5 februari 1998, waarin zijn vordering tot restitutie van een pensioenbedrag was afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

De Raad heeft onderzocht of hij bevoegd was kennis te nemen van dit verzoek tot herziening op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat herziening alleen mogelijk is ten aanzien van een onherroepelijke uitspraak van de Raad als bedoeld in artikel 8:77 Awb Pro of een uitspraak van de President als bedoeld in artikel 8:86 Awb Pro.

De uitspraak van 5 februari 1998 betrof een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening, gegeven op grond van artikel 8:81 en Pro 8:84 Awb. De Raad stelt dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet openstaat tegen dergelijke uitspraken.

Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot herziening en wijst het verzoek af. Tevens is het subsidiaire verzoek om toevoeging aan het bezwaarschrift door de griffie verwerkt.

Uitkomst: De Raad verklaart zich onbevoegd tot herziening van de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening en wijst het verzoek af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
98/2595 BPW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., verzoeker,
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad,
verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij een op 5 februari 1998 tussen partijen onder nummer
97/11547 BPW-VV gegeven uitspraak van 's Raads President is
wegens het ontbreken van een spoedeisend belang afgewezen de
vordering van verzoeker om verweerster met toepassing van
artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
te gelasten om aan hem onverwijld een bedrag ad f 2.177,19 te
restitueren, welk bedrag volgens verzoeker bij een in november
1997 verzonden berekeningsbeschikking van verweerster
onaangekondigd is ingehouden op zijn pensioen ingevolge de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945.
Bij brief d.d. 27 februari 1998 (met bijlagen) heeft verzoeker
aan de Raad primair verzocht terug te komen van vorengenoemde
uitspraak van de President. Subsidiair heeft verzoeker aan de
Raad gevraagd om het verzoekschrift, indien aan het primaire
verzoek niet kan worden voldaan, toe te voegen aan zijn
bezwaarschrift d.d. 18 november 1997.
Namens verweerster is een verweerschrift ingediend.
Met instemming van partijen heeft de Raad met toepassing van
artikel 8:57 van Pro de Awb het onderzoek ter zitting achterwege
gelaten.
II. MOTIVERING
De Raad zal in dit geding in de eerste plaats hebben na te
gaan of hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om
terug te komen van de uitspraak van de President d.d. 5
februari 1998, welk verzoek de Raad opvat als een verzoek om
ten aanzien van die uitspraak toepassing te geven aan artikel
8:88 van de Awb.
Dienaangaande overweegt hij als volgt.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:88 van Pro de Awb kan, op verzoek van een
partij, worden herzien: een onherroepelijk geworden uitspraak
van de Raad.
Voor de Raad lijdt het geen twijfel dat het in artikel 8:88
van de Awb bepaalde, gelet op de duidelijke bewoordingen van
dit voorschrift, alleen van toepassing kan zijn op een
uitspraak van de Raad in de zin van artikel 8:77 van Pro de Awb
dan wel op een uitspraak van de President als bedoeld in
artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, en geen betrekking kan
hebben op een uitspraak van de President, welke met toepassing
van artikel 8:84 van Pro de Awb is gegeven in het kader van een
verzoek om een voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81
van de Awb.
De Raad stelt voorts vast dat de uitspraak van de President
d.d. 5 februari 1998, waarvan thans herziening is gevraagd,
tot stand is gekomen met toepassing van artikel 8:81, eerste
lid, in verbinding met artikel 8:84, tweede lid, van de Awb.
Ten aanzien van een dergelijke uitspraak kan, naar hiervoren
al is overwogen, niet het bijzondere rechtsmiddel van
herziening in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb worden
ingeroepen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Raad zich niet
bevoegd acht om kennis te nemen van het verzoek om de
uitspraak van de President d.d. 5 februari 1998 onder nummer
97/11547 BPW-VV met toepassing van artikel 8:88 van Pro de Awb te
herzien.
Aan het bij het verzoekschrift subsidiair gevraagde is vanwege
's Raads griffie reeds voldaan bij brief aan verweerster d.d.
10 april 1998.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om
herziening.
Aldus gegeven door mr J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van
mr D. Verduijn, en uitgesproken in het openbaar op
18 juni 1998.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) D. Verduijn.
HD
11.06