ECLI:NL:CBB:2026:6

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
23/1359
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming schade door vogelgriepuitbraak aan kuikenbroederij

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [naam 1] B.V. en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag om een tegemoetkoming in de schade die [naam 1] heeft geleden door het euthanaseren van ééndagskuikens en het vernietigen van broedeieren als gevolg van een uitbraak van aviaire influenza (vogelgriep) in de regio. De minister had op 5 juli 2022 de aanvraag afgewezen, en dit besluit werd in een later bestreden besluit op 8 mei 2023 gehandhaafd. Het College oordeelde dat de minister terecht had besloten geen tegemoetkoming te verlenen, omdat de schade voortkwam uit de toepassing van vervoersverboden die de minister had opgelegd. Het College concludeerde dat de situatie van [naam 1] niet als een bijzonder geval kon worden aangemerkt, en dat de schade tot het normale bedrijfsrisico behoort. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, en het beroep van [naam 1] werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1359

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] )

(gemachtigde: mr. E. Dans)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)

Procesverloop

Met het besluit van 5 juli 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam 1] om een tegemoetkoming voor de schade als gevolg van het euthanaseren van ééndagskuikens en het vernietigen van broedeieren afgewezen.
Met het besluit van 8 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De zitting was op 16 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] namens [naam 1] , en de gemachtigden van partijen.

Overwegingen

Wettelijk kader
1 Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2.1
[naam 1] exploiteert een kuikenbroederij in [woonplaats] . In de broederij worden bevruchte kippeneieren uitgebroed in broedmachines. De ééndagskuikens (kuikens) worden aan opfokbedrijven geleverd.
2.2
De regio [plaats] - [woonplaats] is in het voorjaar van 2022 getroffen door een uitbraak van besmettingen met aviaire influenza (vogelgriep). De minister vaardigde in de periode van 12 april 2022 tot en met 24 april 2022 in de regio een aantal regelingen uit met maatregelen om de verdere verspreiding van vogelgriep te voorkomen. Bedrijven in een gebied van 3 kilometer (km) rondom het besmette bedrijf (beperkingszone) werden gedurende 72 uur gescreend op nieuwe gevallen van besmettingen met vogelgriep (screeningsperiode). In een cirkel van 10 km om het besmette bedrijf (bewakingszone) gold tijdens de screeningsperiode een vervoersverbod voor gehouden vogels en voor broedeieren. Elke nieuwe vaststelling van een besmetting leidde ertoe dat rondom het besmette bedrijf een (nieuwe) beperkings- en bewakingszone werd aangewezen en dat er een vervoersverbod werd ingesteld voor de duur van de screeningsperiode van 72 uur.
2.3
[naam 1] kan kuikens maximaal 72 uur op het bedrijf houden en verzorgen. Door de opeenvolging van besmettingen, vervoersverboden en screeningsperiodes tussen 19 en 27 april 2022 was het niet mogelijk om kuikens binnen 72 uur van het bedrijf af te voeren. Met het oog op het dierenwelzijn zag [naam 1] zich daarom in de periode van 25 april tot en met 27 april 2025 genoodzaakt om 533.067 kuikens op eigen kosten te euthanaseren en 136.350 broedeieren voortijdig uit de broedmachines te halen en te vernietigen. Op 22 april 2022 en 25 april 2022 heeft [naam 1] de minister gevraagd om een tegemoetkoming in de schade uit het Diergezondheidsfonds van in totaal € 320.129,47. De minister heeft het verzoek afgewezen en dat besluit met het bestreden besluit gehandhaafd. [naam 1] is het daar niet mee eens en vindt dat zij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. In deze zaak moet het College daarom de vraag beantwoorden of de minister op juiste gronden heeft besloten om geen tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunten van partijen
3 [naam 1] meent dat zij op grond van artikel 9.11 van de Wet dieren recht heeft op een tegemoetkoming. Het vertrekpunt van artikel 9.11 van de Wet dieren is dat in bijzondere gevallen wordt tegemoetkomen aan ondernemingen. Daarmee wordt een balans gevonden tussen het algemeen belang bij de vogelgriepmaatregelen enerzijds en de eigendomsrechten van ondernemingen als die van [naam 1] anderzijds. De in 2022 ontstane situatie is gelet op haar bedrijfsvoering en de intensiteit van de uitbraak voor [naam 1] zo’n bijzondere situatie. [naam 1] is sinds 2003 goed voorbereid op vogelgriepuitbraken doordat zij kuikens gedurende maximaal 72 uur op haar bedrijf kan verzorgen. Langer kan en mag zij de kuikens ook niet houden op grond van haar vergunningen. Tot de uitbraak in 2022 was de periode van 72 uur voldoende. De aanhoudende screeningsperiode dat jaar was uitzonderlijk en maakte dat verzorging op het bedrijf niet langer mogelijk was. Daardoor had [naam 1] geen andere keuze dan het vernietigen van broedeieren en het euthanaseren van kuikens. Haar situatie komt overeen met ondernemingen die pluimvee moeten ruimen en daarvoor wel een vergoeding krijgen uit het Diergezondheidsfonds. [naam 1] wijst in dat verband op twee uitspraken van het College waarin de minister wel een tegemoetkoming heeft uitgekeerd. [1] Naar huidig inzicht zou een ontheffing zijn verleend voor de afvoer van broedeieren en kuikens tijdens de screeningsperiode. Met de juiste voorzorgsmaatregelen brengt dat een gering risico mee op de verdere verspreiding van het vogelgriepvirus. [naam 1] wijst ook op artikel 7.6, vierde lid, van het Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025-2029 (Convenant 2025-2029) waarin een inspanningsverplichting voor de minister en een tegemoetkomingsregeling zijn vastgelegd voor die situatie. De schade behoort dus niet tot het normale bedrijfsrisico. Het is onevenredig dat de schade voor rekening van [naam 1] blijft, terwijl zij wel een bijdrage levert aan het Diergezondheidsfonds.
4 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn standpunten zullen, voor zover nodig, in de overwegingen worden besproken.
Beoordeling door het College
5.1
Op grond van artikel 9.11 van de Wet dieren kan, in door de minister te bepalen bijzondere gevallen, geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of hoofdstuk 5, paragraaf 2, worden betaald, voor zover voor deze schade niet op grond van de artikelen 9.6 of 9.10 een tegemoetkoming kan worden gegeven.
5.2
Niet in geschil is dat voor de schade geen tegemoetkoming kan worden betaald op grond van de artikelen 9.6 of 9.10 van de Wet Dieren. Verder zijn de vervoersverboden maatregelen als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de Wet Dieren. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de schade een direct gevolg is van de vervoersverboden en of de situatie van [naam 1] een bijzonder geval is.
5.3
Het betoog van de minister dat artikel 9.11 van de Wet dieren niet van toepassing is omdat de schade niet het directe gevolg van de maatregelen (vervoersverboden) is, slaagt niet. De schade die [naam 1] heeft geleden is veroorzaakt door de toepassing van de vervoersverboden die de minister op grond van artikel 5.4, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet dieren aan alle ondernemingen, waaronder [naam 1] , in de bewakingszone heeft opgelegd gedurende de screeningsperiodes. Als de minister die maatregelen niet had genomen, had [naam 1] haar kuikens en broedeieren (tijdig) af kunnen voeren naar een andere onderneming. Het euthanaseren van kuikens en het vernietigen van broedeieren was dan niet nodig geweest.
5.4
Uit de wettekst volgt dat de minister enige ruimte heeft voor de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 9.11 van de Wet dieren. De minister beoordeelt op basis van de omstandigheden van het geval of (de gevolgen van) de maatregelen, in dit geval de vervoersverboden waarvan de rechtmatigheid in rechte vaststaat, buiten het normale bedrijfsrisico van een onderneming vallen.
5.5
Naar het oordeel van het College heeft de minister in dit geval mogen concluderen dat geen sprake is van een bijzonder geval. Schade die ontstaat bij de bestrijding van een besmettelijke dierziekte behoort tot het normale bedrijfsrisico van een onderneming en daarom komt een onderneming in beginsel niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. De minister hanteert na een vogelgriepuitbraak, kort samengevat, de werkwijze die onder 2.2 is omschreven en die ook in het Beleidsdraaiboek Aviaire Influenza van september 2013 is vastgelegd. Die werkwijze past de minister al enige tijd toe om vogelgriep te bestrijden en inherent daaraan is het reële risico dat hij een nieuwe besmetting constateert en elkaar opvolgende maatregelen moet nemen, zoals een nieuw vervoersverbod in de (deels) zelfde bewakingszone. Dat kan bij een besmettelijke dierzieke als vogelgriep in een gebied met een hoge pluimveedichtheid, waar [naam 1] haar broederij gevestigd heeft, leiden tot elkaar opvolgende vervoersverboden en screeningsperioden waardoor een onderneming langer dan 72 uur geen afvoermogelijkheid heeft. Niet is gebleken dat die periode in dit geval langer heeft geduurd dan nodig voor de bestrijding van het vogelgriepvirus. Het gevolg van de toepassing van het beleid, namelijk dat afvoer langer dan 72 uur is verboden, is niet uitzonderlijk en behoort gezien het voorgaande tot het bedrijfsrisico van [naam 1] . De nijpende situatie in 2022 bij [naam 1] is ontstaan doordat haar bedrijf onderdeel is van een productieketen met een constante aanvoer van broedeieren en afvoer van kuikens naar opfokbedrijven en zij haar kuikens niet langer dan 72 uur op haar bedrijf mag houden. Die situatie is niet zo bijzonder dat die het normale bedrijfsrisico overstijgt. Of naar huidig inzicht een ontheffing voor het vervoer van de kuikens en broedeieren zou zijn verleend is niet bekend, omdat een formeel verzoek daartoe ontbreekt. Al daarom kan die stelling [naam 1] niet baten. Ook overigens ziet het College geen grond voor een inspanningsverplichting van de minister om de gecontroleerde afvoer van broedeieren en kuikens mogelijk te maken, zoals [naam 1] heeft betoogd. Die verplichting volgt niet uit artikel 7.6 van het Convenant 2025-2029, omdat op het moment van de vogelgriepuitbraak die hier aan de orde is, het Convenant 2020-2024 gold. Daarin is geen inspanningsverplichting opgenomen.
5.5
De situatie op het bedrijf van [naam 1] verschilt van de gevallen waar zij naar verwijst. In de uitspraak van 4 november 2003 (ECLI:NL:CBB:2003:AN9793) moest een melkveehouder de melk vernietigen op last van de minister en kwam zij op grond van artikel 91 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (de voorloper van artikel 9.11 van de Wet dieren) daarom voor een vergoeding in aanmerking. In het geval van [naam 1] zijn de broedeieren en kuikens niet op last van de minister vernietigd of geëuthanaseerd. Ook de vergelijking met de uitspraak van 12 juni 2007 (ECLI:NL:CBB:2007:BA7437) kan [naam 1] niet baten omdat het College in die uitspraak niet heeft geoordeeld dat sprake was van een bijzonder geval. Van vergelijkbare (bijzondere) gevallen is dus geen sprake.
5.6
Omdat de minister mocht concluderen dat geen sprake is van een bijzonder geval, heeft hij terecht geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om een tegemoetkoming op grond van artikel 9.11 van de Wet dieren uit te betalen uit het Diergezondheidsfonds.
6 Het betoog van [naam 1] dat de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming onevenredig is, slaagt niet. Dat [naam 1] een bijdrage levert aan het Diergezondheidsfonds terwijl zij in dit geval geen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming, maakt de afwijzing niet onevenredig. Het Diergezondheidsfonds is bedoeld voor de preventie en bestrijding van dierziekten en kent een gesloten systeem van tegemoetkomingen. Er is in dit geval geen sprake van een situatie waarbij schade zodanig groot is dat zij aangemerkt moet worden als onevenredig en niet behorend tot het bedrijfsrisico, zoals hiervoor beschreven. Niet is gebleken dat [naam 1] door de afwijzing van de tegemoetkoming zodanig financieel nadeel lijdt dat het besluit onevenwichtig is. De nadelige gevolgen van het besluit zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doel, namelijk het enkel vergoeden van schade buiten het normale bedrijfsrisico van ondernemingen.
Conclusie
7 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. M.J. Jacobs en mr. O.L.H.W.I. Korte, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
w.g. D. Brugman w.g. M. Ettema

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid,
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Wet dieren
Artikel 5.4 Dieren
1. Onze Minister kan maatregelen treffen en andere handelingen verrichten met betrekking tot dieren, al dan niet gehouden, die:
a. besmet zijn of van besmetting zijn verdacht, of vatbaar zijn voor besmetting met een dierziekte of zoönose, of die een ziekteverschijnsel vertonen of kunnen vertonen, of (...)
[…]
3. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
c. een verbod op het vervoeren, het verplaatsen of het in de handel brengen;
[…]
Artikel 9.5 Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op maatregelen, getroffen krachtens hoofdstuk 5, paragraaf 2.
Artikel 9.6 Voorwaarden tegemoetkoming
1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt door Onze Minister aan de houder een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:
a. dieren worden gedood, of
b. producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt of worden vernietigd.
[…]
Artikel 9.10 Tegemoetkoming schade gebouwen, terreinen, voorwerpen
Indien door het vernietigen of onschadelijk maken van dieren, producten of voorwerpen schade wordt toegebracht aan gebouwen, terreinen of voorwerpen, wordt door Onze Minister aan de houder of gebruiker van deze gebouwen, terreinen of voorwerpen uit het Diergezondheidsfonds een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd.
Artikel 9.11 Tegemoetkoming schade bijzondere gevallen
Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of hoofdstuk 5, paragraaf 2, kan, voor zover voor deze schade niet op grond van de artikelen 9.6 of 9.10 een tegemoetkoming kan worden gegeven, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden betaald.
Regeling maatregelen bescherming- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep
Artikel 4 Verplaatsen vogels
1. Het is verboden gehouden vogels te verplaatsen vanuit een inrichting.
2. Het is verboden gehouden vogels te verplaatsen naar een inrichting.
Artikel 5 Verplaatsen broedeieren
Het is verboden broedeieren te verplaatsen vanuit een inrichting.

Voetnoten

1.CBb 4 november 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AN9793 en CBb 12 juni 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA7437.