2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellante houdt zich onder meer bezig met de groothandel in door haar geïmporteerde siervogels.
- Bij besluit van 29 maart 2003 heeft verweerder appellante meegedeeld dat met ingang van 27 maart 2003 alle voor Aviaire Influenza (hierna: AI) gevoelige dieren op appellantes bedrijf als verdacht van AI worden aangemerkt. Blijkens een in dit besluit opgenomen voetnoot bij het begrip "AI-gevoelige dieren" worden daaronder verstaan: gehouden dieren van een soort behorende tot de orde van de hoenderachtigen (Galliformes), tot de familie van de eenden, ganzen, en zwanen (Anatidae), tot de families van de struisvogels (Struthionidae), emoes (Dromaiidae) en nandoes (Rheidae) en voor de consumptie gehouden duif (Colombia livia).
Voorts is bij dit besluit - onder meer - besloten tot de maatregel van doding van de verdachte dieren.
- Bij besluit van 2 juli 2003 heeft verweerder de verdachtverklaring opgeheven.
- Bij brief van 13 augustus 2003 heeft appellante op nader aan te voeren gronden tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 10 december 2003 heeft appellante verweerder verzocht haar schadeloos te stellen voor de schade die is ontstaan doordat in de periode van 25 maart 2003 tot en met 4 juli 2003 een aanzienlijk deel van de zogenaamde niet AI-gevoelige dieren de klinische verschijnselen van AI heeft vertoond en vervolgens is overleden.
- Naar aanleiding van een telefonisch onderhoud met de gemachtigde van appellante, heeft verweerder op 18 februari 2004 schriftelijk bevestigd dat de brief van 10 december 2003 niet als motivering van het op 13 augustus 2003 ingediende bezwaarschrift, maar als een verzoek om schadevergoeding moet worden opgevat.
- Bij besluit van 15 maart 2004 heeft verweerder het op 13 augustus 2003 ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit niet - binnen de daartoe gestelde termijn - is voorzien van gronden.
- Bij besluit van 24 mei 2004 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertoe is in dit besluit overwogen dat het onderscheid tussen al dan niet AI-gevoelige dieren en daarmee gepaard gaande schade rechtstreeks voortvloeit uit het besluit van 29 maart 2003, waarin is vermeld welke dieren als AI-gevoelig worden aangemerkt en om die reden verdacht zijn verklaard en zouden worden gedood. Omdat appellante heeft nagelaten tegen dat besluit bezwaar te maken, heeft dat besluit formele rechtskracht gekregen en dient derhalve van de rechtmatigheid van dat besluit te worden uitgegaan, aldus verweerder in dit besluit.
Voor zover appellante van mening is dat de door haar geleden schade het gevolg is van verweerders weigering om in het verdere verloop van de AI-crisis (alsnog) tot ruiming van de niet AI-gevoelige dieren over te gaan, stelt verweerder dat sprake is van een fictieve weigering, die eveneens formele rechtskracht heeft gekregen aangezien appellante daartegen niet (tijdig) bezwaar heeft gemaakt.
In het besluit van 24 mei 2004 heeft verweerder ten overvloede opgemerkt dat na de ruiming van de AI-gevoelige dieren van appellante (die op 5 april 2003 heeft plaatsgevonden), haar niet AI-gevoelige dieren mede op haar verzoek meerdere keren zijn getest op AI, maar dat daaruit niet is gebleken dat deze dieren besmet waren. Verweerder kan appellante dan ook niet volgen in haar stelling dat een groot aantal van de niet AI-gevoelige dieren aan AI zou zijn overleden en merkt voorts op dat gelet op de jurisprudentie van het College geen recht op (preventieve) ruiming bestaat.
- Appellante heeft tegen het besluit van 24 mei 2004 tijdig bezwaar gemaakt. In haar aanvullend bezwaarschrift van 30 augustus 2004 heeft zij gesteld naar aanleiding van het besluit van verweerder van 29 maart 2003 aanvankelijk in de veronderstelling te hebben verkeerd dat haar in dat besluit niet als AI-gevoelig aangemerkte dieren niet door AI getroffen konden worden en dat pas achteraf het tegendeel is gebleken. Tevens heeft appellante er op gewezen dat zij (nadien) bij voortduring met diverse instanties overleg heeft gehad, waarbij "iedereen naar elkaar wees".
- Naar aanleiding van het bezwaar is een hoorzitting gepland op 5 september 2004. Appellante heeft zich op deze hoorzitting niet doen vertegenwoordigen. Wel heeft haar vennoot B op 5 september 2004 aan verweerders ministerie per fax pleitaantekeningen en een afschrift van een op 1 juli 2003 gedateerde brief aan verweerder gezonden.
- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.