De zaak betreft beroepen van een ondernemer tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders (B&W) van Den Haag die haar aanvragen om ontheffing van de Winkeltijdenwet voor vroege openingstijden van haar bakkerij afwezen. De ondernemer had op 15 december 2022 een ontheffing aangevraagd voor opening tussen 05.00 en 06.00 uur, maar het college besloot pas op 2 maart 2023, na het verstrijken van de beslistermijn van 12 januari 2023.
Het College van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 4:20b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de ontheffing van rechtswege is verleend door het niet tijdig beslissen. Hierdoor was het college van B&W na 12 januari 2023 niet meer bevoegd om te beslissen op de aanvraag. De bestreden besluiten die de ontheffing afwezen zijn daarom onbevoegd genomen en worden vernietigd.
Daarnaast ging het om dwangsommen die het college van B&W had opgelegd wegens het openen van de bakkerij vóór 06.00 uur zonder ontheffing. Voor overtredingen vóór 12 januari 2023 zijn de dwangsommen terecht opgelegd en ingevorderd. Voor een overtreding op 25 januari 2024, nadat de ontheffing van rechtswege was verleend, is de dwangsom onterecht ingevorderd en wordt het invorderingsbesluit herroepen.
Het College draagt het college van B&W op de proceskosten van de ondernemer te vergoeden en verklaart de beroepen tegen de afwijzende besluiten gegrond, terwijl de beroepen tegen de dwangsombesluiten voor overtredingen vóór de ontheffing ongegrond zijn.