De onderneming verzocht om herziening van een uitspraak van het College van 4 maart 2025, waarin haar beroep tegen een ministerieel besluit over de niet-ontvankelijkheid van haar bezwaar ongegrond werd verklaard. De onderneming stelde dat de uitspraak onjuistheden bevatte, waaronder een verkeerde weergave van haar reactie tijdens de bezwaarprocedure en een onjuiste beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
Het College overwoog dat het rechtsmiddel van herziening alleen kan worden toegepast op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. De vermeende onjuistheden betroffen geen nieuwe feiten en zouden de uitkomst niet veranderen. De passage over het wachten op een ander besluit had geen zelfstandige betekenis in de oordeelsvorming en kon worden weggedacht.
De minister gaf toe dat een eerdere verklaring over de reactie van de onderneming op een verzoek onjuist was, maar dit was geen grond voor herziening. De argumenten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding werden als een hernieuwde discussie beoordeeld, waarvoor herziening niet is bedoeld. Het College concludeerde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat de onderneming ondanks persoonlijke omstandigheden in staat was vragen te beantwoorden.
Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen. Wel zag het College aanleiding de minister op te dragen het betaalde griffierecht van € 385,- aan de onderneming te vergoeden. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.