Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 op het hoger beroep van:
[naam] , te [woonplaats] ( [naam] )
(gemachtigde: P.J. Houtsma),
[naam]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
.De minister heeft zich gebaseerd op de door [naam] zelf gebruikte BEX-berekening die een erkende wijze van vrij bewijs is om de mineralengehaltes in de geproduceerde mest van melkvee vast te stellen in afwijking van de wettelijke forfaits (zie paragraaf 5.1.4.1 van het Boetebeleid Meststoffenwet RVO (Boetebeleid)). In deze berekening is al rekening gehouden met stikstofverliezen naar de lucht. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de minister dat de met ingang van 1 januari 2025 aangepaste excretieforfaits voor melkvee in deze zaak niet van toepassing zijn. De rechtbank onderschrijft tevens het standpunt van de minister dat de door [naam] aangehaalde onderzoeken van het CBS en de CDM onvoldoende tegenbewijs vormen om de in de BEX opgenomen normering voor stikstofverliezen naar de lucht in twijfel te trekken. Dit zijn immers algemene, niet op de concrete situatie van [naam] toegespitste onderzoeken. De minister heeft zich dan ook mogen baseren op de door [naam] overgelegde BEX-berekening, aldus de rechtbank. Verder heeft de minister voldoende dragend beargumenteerd dat de berekening van een stikstofgat alleen bij staldieren wordt toegepast. Bij staldieren worden de gasvormige stikstofverliezen immers als aparte post in de berekening meegenomen. In dit geval is sprake van melkvee waarbij een BEX-berekening is gemaakt. Daarin is het verlies al in de berekening verdisconteerd. De rechtbank is tot slot van oordeel dat [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van willekeur of van een ongerechtvaardigd onderscheid bij de vaststelling van de mestproductie van staldieren enerzijds en die van melkvee anderzijds.