Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De voorschriften in de Meststoffenwet (Msw) zien op het beperken van milieurisico’s door overbemesting met stikstof en fosfaat te voorkomen. Daarom zijn er gebruiksnormen vastgesteld en gelden er voor de controle op de naleving daarvan verschillende voorschriften, waaronder het bemonsteren van mest om de stikstof- en fosfaatgehaltes te kunnen vaststellen. Het door de onderneming overtreden voorschrift dient dus ter bescherming van het milieu. Om de meststroom in de gehele keten van producent tot eindgebruiker te kunnen volgen en te kunnen controleren op de naleving van de gebruiksnormen is een transparante, tijdige en correcte administratie van elke vervoersbeweging van mest van groot belang. Gelet hierop gelden de voorschriften uit de Msw ook voor de door de onderneming afgevoerde vrachten champost. Het College volgt dan ook het oordeel van de rechtbank in 8.2 van de aangevallen uitspraak. Van een situatie, zoals genoemd door de onderneming en waarin de afvoer van paardenmest niet hoeft te worden bemonsterd, is geen sprake. Verder ziet het College, net als de rechtbank, in wat de onderneming heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de boete voor overtreding 7 verder gematigd had moeten worden.
Beslissing
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de boetes betreft;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de onderneming tegen de beslissing op bezwaar gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover het de hoogte van de boetes betreft, herroept in zoverre het boetebesluit en stelt de boetes vast op € 11.666,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- draagt de minister op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- aan de onderneming te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 1.814,-.