ECLI:NL:CBB:2025:670

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
23/1392
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boetes opgelegd aan onderneming wegens overtredingen Meststoffenwet

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan op het hoger beroep van een onderneming tegen boetes die door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur waren opgelegd wegens overtredingen van de Meststoffenwet. De onderneming had boetes ontvangen voor het niet nemen van representatieve monsters van vervoerde vrachten, het niet volledig opmaken van Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM's), en het niet naar waarheid indienen van gegevens op deze VDM's. De rechtbank Oost-Brabant had eerder het beroep van de onderneming ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft het College de boetes gematigd, omdat de redelijke termijn was overschreden. De minister had eerder een boete van € 26.100 opgelegd, maar na bezwaar was dit bedrag verlaagd naar € 25.200. Het College heeft de boetes voor overtredingen 4 en 7 met 90% gematigd, waardoor de totale boete op € 11.666 is vastgesteld. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de onderneming voor het naleven van de wet- en regelgeving en de noodzaak van transparantie in de meststroom.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1392
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. J. van Groningen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2023, met zaaknummer 22/1321, in het geding tussen
de onderneming

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. M. Leegsma)

Procesverloop in hoger beroep

De onderneming heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:2208, aangevallen uitspraak).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 26 juni 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de onderneming [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde, en namens de minister zijn gemachtigde. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met nummer 23/1391. Voor het doen van uitspraak zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
1.2
De onderneming vervoert als intermediair dierlijke meststoffen.
1.3
De toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben een controle verricht bij [naam 3] B.V. (afnemer). Dit hebben zij gedaan omdat uit het VDM-register (Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) onder meer was gebleken dat in de periode van 24 januari 2019 tot en met 14 mei 2020 67 vrachten champost en gescheiden champost (hierna: champost) bij deze onderneming waren aangevoerd, waarbij niet was bemonsterd en het vervoer van deze vrachten niet via automatische gegevensregistratie (AGR) en satellietvolgsysteem (GPS) was gemeld aan de RVO. Uit nader onderzoek is gebleken dat de onderneming de vrachten heeft vervoerd. De toezichthouders hebben geconstateerd dat de onderneming bij het vervoeren van de vrachten zeven overtredingen van de meststoffenregelgeving heeft begaan. Zo blijkt dat de onderneming het vervoer heeft verricht zonder zich geregistreerd te hebben als een intermediaire onderneming. Ook blijkt dat de onderneming champost heeft vervoerd zonder het te bemonsteren en zonder het vervoer via AGR- en GPS-apparatuur te melden aan de RVO. Verder blijkt uit het VDM-register dat het mestopslagnummer niet op alle VDM’s is ingevuld en deze daarmee onvolledig zijn. Daarnaast blijkt dat zes VDM’s niet naar waarheid zijn ingevuld, omdat daarop onterecht opmerkingencode 37 is vermeld. Verder verschilt de op 67 VDM’s ingevulde tenaamstelling van de vervoerder met de tenaamstelling van de vervoerder op de elektronisch bij RVO ingediende VDM’s. De onderneming heeft van de 67 vrachten er in totaal 65 afgevoerd namens [naam 4] B.V. (leverancier). De toezichthouders hebben hun bevindingen opgenomen in een rapport van bevindingen.
1.4
Met het besluit van 3 september 2021 (boetebesluit) heeft de minister naar aanleiding van het rapport van bevindingen de onderneming een boete van in totaal € 26.100,- opgelegd voor de zeven overtredingen. [1] De minister heeft daarbij een matiging toegepast van € 2.500,- omdat er meer dan 26 weken waren verstreken tussen de datum van het rapport van bevindingen en de oplegging van de boetes. Het gaat om de volgende overtredingen: het verrichten van vervoer zonder registratie bij de RVO als een intermediaire onderneming (overtreding 1), het verrichten van vervoer zonder AGR-apparatuur (overtreding 2), het verrichten van vervoer zonder GPS-apparatuur (overtreding 3), het niet volledig opmaken van 67 VDM’s door het niet vermelden van het mestopslagnummer (overtreding 4), het niet naar waarheid opmaken van zes VDM’s door het vermelden van opmerkingencode 37 (overtreding 5), het niet naar waarheid bij de RVO indienen van gegevens op 67 VDM’s in verband met de tenaamstelling van de vervoerder (overtreding 6) en het voor 67 vrachten niet nemen van een representatief monster (overtreding 7).
1.5
Met het besluit van 18 februari 2022 (beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het boetebesluit gedeeltelijk gegrond verklaard, het boetebesluit gedeeltelijk herroepen en aan de onderneming een proceskostenvergoeding toegekend. Het totale boetebedrag is verlaagd naar € 25.200,-. De minister heeft de boete voor overtreding 3, het vervoeren van dierlijke meststoffen zonder GPS-apparatuur, laten vervallen. Dit omdat sprake is van eendaadse samenloop met overtreding 2, te weten het vervoeren van dierlijke meststoffen zonder AGR-apparatuur. Verder heeft de minister de boete voor overtreding 4, het niet volledig opmaken van een VDM, ten aanzien van zes VDM’s (dus gedeeltelijk) laten vervallen, omdat sprake is van dubbele beboeting. Met het boetebesluit zijn voor deze zes VDM’s ook al boetes opgelegd, omdat ze niet naar waarheid zijn opgemaakt.
1.6
Tegen de beslissing op bezwaar heeft de onderneming beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van de onderneming ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1
Het hoger beroep van de onderneming richt zich uitsluitend nog op de overtredingen 7, 4, 5 en 6. De onderneming betwist niet dat sprake is van deze overtredingen, maar vindt onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze overtredingen haar kunnen worden verweten.
2.2
Gelet op het standpunt van de minister in hoger beroep dat de boetes voor de overtredingen 4 en 7 met toepassing van het gewijzigde beleid met 90% gematigd moeten worden tot € 1.220,- (overtreding 4) en € 2.010,- (overtreding 7), kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het College zal hiervan uitgaande de hogerberoepsgronden van de onderneming beoordelen.
2.3
Het College zal de hogerberoepsgronden hierna per aan de orde zijnde overtreding bespreken in dezelfde volgorde als in de aangevallen uitspraak. Daarbij zal het College eerst het aangevochten oordeel van de rechtbank weergeven, daarna de betreffende hogerberoepsgronden, gevolgd door de beoordeling van het College. Het standpunt van de minister zal in die beoordeling worden weergegeven, voor zover nodig.
Overtreding 7 (het voor de vervoerde vrachten niet nemen van een representatief monster)
3.1
De rechtbank is van oordeel dat het voor rekening en risico van de onderneming komt dat zij ervan is uitgegaan dat de in artikel 89, vijfde en zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) opgenomen uitzonderingen in de periode van 24 januari 2019 tot en met 14 mei 2020 op haar van toepassing waren. Volgens de rechtbank heeft de minister er terecht op gewezen dat de onderneming als professionele onderneming in de agrarische sector wordt geacht op de hoogte te zijn van de toepasselijke wet- en regelgeving. Hier komt bij dat een medewerker van de afnemer een bestuurder van de onderneming er in een e-mail van 13 februari 2019 op heeft gewezen dat de vrachten bemonsterd moesten worden. Volgens de rechtbank is van een verontschuldigbare dwaling omtrent het toepasselijke recht geen sprake. (overweging 6.2)
Verder overweegt de rechtbank dat voor de vraag of sprake is van samenloop of een voortgezette handeling volgens rechtspraak van het College aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1111) overweegt de rechtbank dat de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling een wezenlijke functie vervullen bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het ‘wilsbesluit’) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de gedragingen die betrekking hebben op overtreding 7 geen sprake is van een eendaadse samenloop of een voortgezette handeling. De wetgever heeft ervoor gekozen dat één vracht kan uitmonden in verschillende overtredingen. De minister is dus bevoegd om per vracht meerdere boetes op te leggen voor verschillende overtredingen. Verder is volgens de rechtbank van belang dat de onderneming de 67 vrachten afzonderlijk op verschillende data dan wel tijdstippen heeft geladen en gelost, dit over een periode van ruim een jaar. Gelet hierop kan volgens de rechtbank niet worden gezegd dat de onderneming (in wezen) één verwijt kan worden gemaakt. De onderneming heeft ten aanzien van elke vracht steeds opnieuw de beslissing genomen om geen AGR-/GPS-apparatuur te gebruiken en om niet te bemonsteren. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar wat zij onder overweging 6.2 heeft overwogen dat de omstandigheid dat de onderneming in de betreffende periode ervan uit is gegaan dat ten aanzien van de vrachten de in artikel 89, vijfde en zesde lid, van de Urm opgenomen uitzonderingen van toepassing zijn voor haar eigen rekening en risico komt. Verder volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat met betrekking tot de gedragingen die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de overtredingen 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop, omdat het daarbij gaat om het niet gebruiken van zowel AGR-apparatuur (overtreding 2) als GPS-apparatuur (overtreding 3) en deze apparatuur één samenstel van apparatuur is. De omstandigheid dat de vrachten niet zijn bemonsterd is voor die beoordeling niet relevant. Dat de minister uit coulance heeft besloten om met betrekking tot overtredingen 2 en 3 te volstaan met één boete van € 300,- betekent niet dat hij is gehouden om ook voor overtreding 7 te volstaan met een boete van € 300,-. (overwegingen 7.2-7.4)
Verder volgt de rechtbank de onderneming niet in haar betoog dat zij door het niet-bemonsteren het met de Urm beoogde milieubelang niet heeft geschaad aangezien de afnemer de champost voor afvoer wel heeft laten bemonsteren. Onder verwijzing naar een uitspraak van het College van 26 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:343) overweegt de rechtbank onder meer dat voor de sturingskracht van het gebruiksnormensysteem essentieel is dat voor de afvoer van elke vracht dierlijke mest administratief verantwoording wordt afgelegd, zodat de meststroom in de gehele keten van producent tot eindgebruiker kan worden gevolgd. Daarom moet bij elke feitelijke, fysieke overdracht van een vracht mest een door de leverancier en de afnemer te ondertekenen VDM worden opgemaakt, waarmee de overgedragen hoeveelheden fosfaat en stikstof in de vracht worden verantwoord. Volgens de rechtbank heeft de minister in verband daarmee terecht erop gewezen dat als er geen adequate verantwoording wordt afgelegd door bijvoorbeeld vrachten niet te bemonsteren de meststromen niet transparant zijn, waardoor de controle op de gebruiksnormen wordt bemoeilijkt. De essentie van bemonstering in dit geval is dat de gehalten van belang zijn voor de afnemer voor de compostering en monitoring van deze meststof. (overwegingen 8.1 en 8.2)
De rechtbank heeft verder overwogen dat voor zover de onderneming stelt dat het niet evenredig is om voor elke vracht een boete op te leggen artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het kader vormt waarin de evenredigheidstoets wordt verricht. De minister heeft er rekening mee gehouden dat de onderneming hetzelfde voorschrift meerdere malen heeft geschonden en gelet daarop een matiging van 50% toegepast. De rechtbank ziet in wat de onderneming heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de boete moet worden gematigd. (overwegingen 9.1 en 9.2)
3.2
De onderneming stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het voor haar rekening en risico komt dat ze ervan is uitgegaan dat één van de uitzonderingen bedoeld in artikel 89 van de Urm van toepassing is. De onderneming voert aan dat ze niet is gedwaald omtrent de relevante regelgeving, maar dat ze ten onrechte heeft aangenomen dat de afnemer een eindgebruiker is. Als de e-mail van deze afnemer de juiste persoon had bereikt zou dit volgens de onderneming zeker hebben geleid tot een aanpassing van de werkwijze. De onderneming heeft ook geen enkel belang bij het niet handelen conform de regelgeving. De vrachten zijn namelijk wel gemeld waardoor het niet-naleven van de voorschriften altijd te traceren is. Volgens de onderneming heeft de rechtbank ten onrechte geen betekenis toegekend aan het voorgaande.
Verder stelt ze dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk sprake is van eendaadse samenloop of voortgezette handeling. Zij heeft immers slechts éénmaal de beslissing genomen om champost zonder bemonstering van de leverancier naar de ontvanger te vervoeren. Dat de periode waarin 67 vrachten zijn vervoerd meer dan een jaar beloopt is niet relevant. Het ging slechts om één opdracht waarvoor telkens vrachtwagens op gelijke wijze zijn ingezet als bij de eerste vracht. De onderneming betoogt verder dat als wat betreft het ontbreken van AGR- en GPS-apparatuur (overtredingen 2 en 3) sprake is van eendaadse samenloop dit ook geldt ten aanzien van het niet-bemonsteren. Dat de AGR- en GPS-apparatuur één samenstel van apparatuur is doet er niet toe, omdat het niet-bemonsteren niet anders is dan het achterwege laten van het gebruik van AGR-/GPS-apparatuur.
De onderneming stelt dat het milieu vanwege het niet-bemonsteren van de champost niet is geschaad, omdat de afnemer alle vanuit haar bedrijf afgevoerde vrachten champost heeft bemonsterd. De overweging van de rechtbank heeft met name betrekking op de door een veehouder geleverde mest. Dan is het van belang hoeveel mineralen er met de mest worden afgevoerd. Voor een champignonkwekerij geldt dit niet, omdat de productie volledig los van de grond plaatsvindt en bij volledige afvoer de eerdere aanvoer met 100% wordt gecompenseerd. Wanneer, zoals in de voorliggende zaak, de afvoer plaatsvindt naar een afnemer die iedere vracht compost die het bedrijf verlaat bemonstert, is dit voldoende transparant. Bij de afvoer van paardenmest naar een bedrijf dat substraat produceert voor de teelt van champignons hoeft dan ook niet te worden gewogen en bemonsterd. Volgens de onderneming geldt voor champost duidelijk een minder zwaar regime, wat de rechtbank heeft miskend.
Tot slot betoogt de onderneming dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat wat zij heeft aangevoerd geen grond is voor het matigen van de boetes. Dit geldt temeer nu de minister niet de evenredigheid van de boetes heeft beoordeeld. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, is niet relevant dat de minister er rekening mee heeft gehouden dat de onderneming het voorschrift meerdere malen heeft overtreden.
3.3
Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank op goede gronden terecht geen betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de onderneming zich heeft vergist in de kwalificatie van de afnemer door ervan uit te gaan dat deze de eindgebruiker is. Het College onderschrijft verder het in 7.2 tot en met 7.4 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een eendaadse samenloop of een voortgezette handeling en maakt deze overwegingen van de rechtbank tot de zijne.
De voorschriften in de Meststoffenwet (Msw) zien op het beperken van milieurisico’s door overbemesting met stikstof en fosfaat te voorkomen. Daarom zijn er gebruiksnormen vastgesteld en gelden er voor de controle op de naleving daarvan verschillende voorschriften, waaronder het bemonsteren van mest om de stikstof- en fosfaatgehaltes te kunnen vaststellen. Het door de onderneming overtreden voorschrift dient dus ter bescherming van het milieu. Om de meststroom in de gehele keten van producent tot eindgebruiker te kunnen volgen en te kunnen controleren op de naleving van de gebruiksnormen is een transparante, tijdige en correcte administratie van elke vervoersbeweging van mest van groot belang. Gelet hierop gelden de voorschriften uit de Msw ook voor de door de onderneming afgevoerde vrachten champost. Het College volgt dan ook het oordeel van de rechtbank in 8.2 van de aangevallen uitspraak. Van een situatie, zoals genoemd door de onderneming en waarin de afvoer van paardenmest niet hoeft te worden bemonsterd, is geen sprake. Verder ziet het College, net als de rechtbank, in wat de onderneming heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de boete voor overtreding 7 verder gematigd had moeten worden.
Overtreding 4 (niet volledig opmaken van VDM’s)
4.1
De rechtbank overweegt dat wat zij onder 7.2 tot en met 7.4 heeft overwogen ook geldt voor de 61 vrachten waarvoor is nagelaten om het mestopslagnummer van de afnemer op de betreffende VDM’s te vermelden. De rechtbank volgt, onder verwijzing naar overweging 8.2, de onderneming niet in haar stelling dat het, ondanks het ontbreken van een mestopslagnummer, volledig bekend zou zijn wat de afnemer heeft ontvangen en van wie. Ook door het ontbreken van mestopslagnummers op de VDM’s wordt de controle op de gebruiksnormen bemoeilijkt. Dit geldt temeer omdat vaststaat dat de afnemer twee opslagen heeft met elk een eigen nummer. Voor zover de onderneming stelt dat het niet evenredig is om haar voor elke vracht te beboeten, verwijst de rechtbank naar overweging 9.2. (overweging 10.2)
4.2
De onderneming betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een voortgezette handeling. Ook stelt zij dat de omstandigheid dat het mestopslagnummer op 61 VDM’s niet is ingevuld, de controle niet bemoeilijkt omdat de gegevens over de losplaats uit haar administratie (de H1-staat) blijken. Verder blijkt uit het in bijlage 1 bij het rapport van bevindingen opgenomen overzicht, dat door een medewerker van de NVWA is opgesteld, de postcode, de losplaats en de naam van de afnemer. Dat de afnemer twee mestopslagnummers heeft doet hier volgens de onderneming niet aan af, omdat de afnemer iedere vracht die deze heeft laten afvoeren heeft bemonsterd. Verder verwijst zij wat de beoordeling van de evenredigheid van de boete betreft naar haar betoog daarover bij overtreding 7.
4.3
Het College volgt ook hier de rechtbank in haar oordeel dat geen sprake is van een voortgezette handeling. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat zij heeft overwogen onder 7.2 tot en met 7.5 van de aangevallen uitspraak ook geldt voor de 61 vrachten, waarbij is nagelaten het mestopslagnummer van de afnemer te vermelden op de betreffende VDM’s. Zoals het College hierboven onder 3.3 heeft overwogen is het van belang dat de meststroom in de gehele keten van producent tot eindgebruiker transparant is en dat van de afvoer van dierlijke mest adequaat administratief verantwoording wordt afgelegd. Het College is dan ook met de rechtbank van oordeel dat door het niet vermelden van de mestopslagnummers op de VDM’s de controle op de gebruiksnormen wordt bemoeilijkt. Verder ziet het College, zoals onder 3.3 overwogen, net als de rechtbank, in wat de onderneming heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de boete voor overtreding 4 verder gematigd (had) moeten worden.
Overtredingen 5 en 6 (niet naar waarheid opmaken van VDM’s en niet naar waarheid indienen van gegevens op VDM’s)
5.1
De rechtbank is ten aanzien van de overtredingen 5 en 6 van oordeel dat op de onderneming een eigen verantwoordelijkheid rust om de wettelijke voorschriften na te leven. Het is aan de onderneming om haar werknemers adequaat te instrueren om te voorkomen dat zij handelingen verrichten die de onderneming als werkgever kunnen worden aangerekend als overtredingen. Niet is gebleken dat dit bij het invullen van de opmerkingscode en de tenaamstelling van de vervoerder is gebeurd. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de onderneming in mindere mate een verwijt valt te maken van de overtredingen. Voor zover de onderneming wat betreft overtreding 6 stelt dat het niet evenredig is om haar voor elke vracht te beboeten verwijst de rechtbank naar wat zij daarover onder overweging 9.2 heeft overwogen. (overwegingen 11.2 en 12.2)
5.2
De onderneming betoogt dat de rechtbank wat betreft de overtredingen 5 en 6 ten onrechte heeft geoordeeld dat op haar een eigen verantwoordelijkheid rust om de wettelijke voorschriften na te leven. De onderneming instrueert haar werknemers om de VDM’s correct in te vullen. Meer kan niet van haar worden gevergd. Zij heeft geen zicht op de daadwerkelijke uitvoering van de instructies en de invulling van de VDM’s door de medewerkers. Bij overtreding 6 merkt de onderneming verder op dat ook de minister in het boetebesluit slordigheid verweten kan worden.
5.3
Naar het oordeel van het College is de onderneming zelf verantwoordelijk voor het naar waarheid invullen en indienen van de VDM’s. De onderneming heeft op de zitting gezegd dat op kantoor een interne controle plaatsvindt door administratief personeel. Kennelijk heeft deze interne controle niet geleid tot correcte VDM’s, maar als werkgever is de onderneming wel verantwoordelijk voor het naar waarheid invullen en indienen van de VDM’s. Gelet hierop volgt het College de onderneming niet in haar standpunt dat de onderneming geen verwijt ervan kan worden gemaakt dat haar werknemers de VDM’s niet naar waarheid hebben ingevuld en ingediend. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de overtredingen de onderneming kunnen worden verweten.
Conclusie wat betreft overtredingen 7, 4, 5 en 6
6 Uit het voorgaande volgt dat de minister de onderneming terecht boetes heeft opgelegd wegens overtredingen van de meststoffenregelgeving. Gelet op het standpunt van de minister in hoger beroep dat de boetes voor de overtredingen 4 en 7 met toepassing van het gewijzigde beleid met 90% gematigd moeten worden, bedraagt de boete voor overtreding 4 € 1.220,- en voor overtreding 7 € 2.010,-. Het College ziet geen aanleiding voor verdere matiging van deze boetes voor die overtredingen en ook niet voor de boetes voor overtredingen 5 en 6 van € 900,- respectievelijk € 10.050,-.
Ambtshalve beoordeling overschrijding van de redelijke termijn
7 Ambtshalve overweegt het College of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Uitgaande van het boetevoornemen op 6 november 2020, is de voor een zaak als deze geldende redelijke termijn van vier jaar, op het moment van deze uitspraak overschreden met meer dan 12 maanden (maar minder dan 18 maanden). Bij een overschrijding tot 12 maanden is uitgangspunt dat de boete wordt gematigd met 10% tot een maximum van €2.500,-, bij verdere overschrijding handelt het College naar bevind van zaken. De minister is in de beslissing op bezwaar uitgegaan van een matiging van € 2.500,- op het (oude) totaalbedrag aan boetes wegens het verstrijken van meer dan 26 weken tussen de datum van het rapport van bevindingen en de oplegging van de boetes. Bij de herberekening van het nieuwe totaalbedrag na de matiging van de boetes voor overtredingen 4 en 7 met 90%, heeft de minister geen rekening gehouden met een matiging wegens het overschrijden van de die termijn. Omdat de eerder toegepaste matiging met € 2.500 in hoger beroep niet in geschil is, zal het College voor de overschrijding tot 12 maanden ook uitgaan van een matiging van € 2.500 op het nieuwe totaalbedrag van € 14.780. Dat komt dan neer op een bedrag van € 12.280,-. Voor de resterende overschrijding van de redelijke termijn vanaf 12 maanden (in dit geval met ongeveer twee maanden) ziet het College aanleiding om het totaal van de boetes verder te matigen tot € 11.666,- (= € 12.280,- minus € 614,- (€ 12.280,- x 5%)).
Slotsom
8.1
Gezien het door de minister in hoger beroep ingenomen standpunt dat de boetes voor de overtredingen 4 en 7 met toepassing van het gewijzigde beleid met 90% gematigd moeten worden, slaat het hoger beroep en zal het College de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover het de hoogte van de boetes betreft. Het College zal het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaren, dit besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boetes betreft, het boetebesluit in zoverre herroepen en de boetes vaststellen op in totaal € 11.666,-. Voor het overige zal het College de aangevallen uitspraak bevestigen.
8.2
Het College zal de minister veroordelen in de door de onderneming gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Het College ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de minister in de vergoeding van de proceskosten in beroep, omdat het boetebesluit wordt herroepen wegens na de beslissing op bezwaar vastgesteld nieuw beleid van de minister en niet wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid.

Beslissing

Het College:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de boetes betreft;
  • verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de onderneming tegen de beslissing op bezwaar gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover het de hoogte van de boetes betreft, herroept in zoverre het boetebesluit en stelt de boetes vast op € 11.666,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • draagt de minister op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- aan de onderneming te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. M.P. Glerum en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. H. Caglayankaya

Voetnoten

1.In het besluit van 3 september 2021 staat dat een boete van in totaal € 16.500 wordt opgelegde maar dit is volgens de minister een kennelijke verschrijving, zoals ook is vermeld in het besluit op bezwaar van 18 februari 2022.