ECLI:NL:CBB:2025:651

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
22/158
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake accountantstucht en klacht over objectiviteit en hoor en wederhoor

In deze zaak heeft appellante, een productiemaatschappij, een klacht ingediend tegen de accountants over een persoonsgericht onderzoek naar de eindafrekeningen van een door haar geproduceerde film. De klacht betreft schending van het beginsel van objectiviteit en het beginsel van hoor en wederhoor, zoals vastgelegd in de NBA Handreiking 1112. De accountants hebben de klacht in hoger beroep betwist, maar het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de hogerberoepsgronden niet slagen. De accountants hebben de opdracht aanvaard en het onderzoek uitgevoerd zonder dat er sprake was van ongepaste beïnvloeding. De nieuwe stukken die in hoger beroep zijn ingediend, zijn buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet eerder waren ingediend. De accountantskamer had de klacht eerder ongegrond verklaard, en het College heeft deze beslissing bevestigd. De uitspraak van het College is gedaan op 9 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/158

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2025 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. M.G. Kelder),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 december 2021 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen

[naam 2] en J [naam 3]

(gemachtigden: mr. drs. J.F. Garvelink en mr. D.C. Theunis).

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 december 2021, met nummers 21/533 Wtra AK en 21/535 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2021:77).
[naam 2] en [naam 3] hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 16 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 4] namens [naam 1] , bijgestaan door mr. M.G. Kelder, en [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. J.F. Garvelink.

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
1.2
[naam 1] is een productiemaatschappij die zich bezighoudt met het produceren van films. In […] heeft [naam 1] van de Stichting Nederlands
Fonds voor de Film (Filmfonds) een subsidie ontvangen voor de productie van de film [naam 5] . Ook de Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) heeft de productie gefinancierd. Op grond van de voorwaarden die aan de subsidieverlening waren verbonden, heeft [naam 1] na de voltooiing van de filmproductie een aanvraag tot vaststelling van de financiering met een eindafrekening van de gemaakte productiekosten bij het Filmfonds ingediend. Bij die eindafrekening heeft een accountant van het accountantskantoor MTH op 9 juli 2014 een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven. Ook CoBO is van die eindafrekening uitgegaan en heeft op basis daarvan de definitieve bijdrage voor [naam 1] vastgesteld.
1.3
Bij het Filmfonds en CoBO ontstonden twijfels over de juistheid van de eindafrekeningen, na vergelijking van de door [naam 1] gegeven onderbouwingen van de eindafrekeningen. In 2019 heeft het Filmfonds besloten de eindafrekening van de film [naam 5] te laten onderzoeken. Op 16 december 2019 heeft het Filmfonds daartoe opdracht gegeven aan [naam 6] , het kantoor waar [naam 2] en [naam 3] werkzaam zijn. Het onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van [naam 2] en [naam 3] heeft hem daarbij geassisteerd.
1.4
Op 23 december 2019 heeft [naam 2] [naam 1] schriftelijk geïnformeerd over het feit dat zijn kantoor van het Filmfonds opdracht had gekregen om een forensisch onderzoek in te stellen naar de eindafrekeningen van de productie [naam 5] en dat het onderzoek zal worden uitgevoerd door [naam 2] en [naam 3] .
Op 17 maart 2020 hebben [naam 2] en [naam 3] de conceptbevindingen van hun onderzoek aan [naam 1] voorgelegd. [naam 1] heeft op 7 april 2020 op de conceptbevindingen gereageerd. Op 11 april 2020 heeft [naam 2] een als definitief bestempeld rapport aan het Filmfonds en CoBO verstuurd. Het Filmfonds heeft te kennen gegeven behoefte te hebben aan een aanvulling op het rapport, onder meer op het punt van de regelgeving. Naar aanleiding van dat verzoek is de status van het rapport van 11 april 2020 door [naam 2] teruggebracht naar “concept”. Dit heeft [naam 2] op 18 april 2020 aan [naam 1] meegedeeld. [naam 1] had daartegen bezwaar. [naam 2] heeft vervolgens aan [naam 1] uitgelegd waarom hij daartoe heeft besloten en heeft meermalen zijn excuses aangeboden vanwege het feit dat het rapport wellicht te snel een definitieve status had gekregen. Op 20 mei 2020 hebben [naam 2] en [naam 3] een aangepast conceptrapport aan [naam 1] voorgelegd. Nadat [naam 1] een aantal aanvullende vragen had beantwoord en inzage had gegeven in de originele bankafschriften, hebben [naam 2] en [naam 3] op 29 juni 2020 opnieuw een conceptrapport aan [naam 1] voorgelegd. Zij heeft daarop gereageerd op 5 augustus 2020. De opmerkingen van [naam 1] zijn gedeeltelijk overgenomen. Op 7 september 2020 hebben [naam 2] en [naam 3] het definitieve rapport aan het Filmfonds en CoBO uitgebracht.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt in dat [naam 2] en [naam 3] in strijd hebben gehandeld met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. [naam 1] verwijt [naam 2] en [naam 3] het volgende, waarbij voor klaagster [naam 1] moet worden gelezen en voor betrokkenen [naam 2] en [naam 3] :
“3.1. Betrokkenen hebben volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hen geldende
gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkenen het volgende:
a. de rationaliteit en het doel van het onderzoek en het normenkader ontbreken;
b. [naam 2] kent de directrice van CoBO persoonlijk en daarom had hij de opdracht niet mogen accepteren. Het beginsel van professionaliteit is geschonden;
c. klaagster vermoedt dat het werkelijke doel van het Filmfonds en CoBO was om klaagsters imago te beschadigen door haar in een negatief daglicht te stellen. Het accepteren van een opdracht zonder rationeel doel is niet integer;
d. de in het rapport gekozen bewoordingen duiden erop dat er bij het opstellen van het rapport
sprake is geweest van onvoldoende objectiviteit. Betrokkenen lijken niet neutraal tegenover
beide partijen te staan. Het rapport bevat negatieve kleuringen;
e. er zijn drie rapporten definitief opgemaakt met onverklaarbare verschillen. Het concept is niet voorgelegd aan MTH. Ook zijn niet alle stukken die klaagster heeft aangereikt bij het onderzoek betrokken;
f. betrokkenen hebben het rapport definitief gemaakt voordat klaagster is gehoord. Daardoor
hebben zij jegens klaagster onzorgvuldig gehandeld en hebben zij het beginsel van hoor en
wederhoor geschonden. Betrokkenen hebben bij de door hen opgestelde rapportage geen van de 36 door klaagster bij haar reactie gevoegde bijlagen betrokken. Betrokkenen hebben ook het cruciale door klaagster aan hen ter beschikking gestelde "Brugstaatdossier" niet bij hun
rapportage betrokken.”
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Omvang van het geding, leeswijzer en samenvatting
3.1
[naam 1] heeft zich in het hogerberoepschrift met tien hogerberoepsgronden tegen de bestreden uitspraak gekeerd. Op de zitting heeft [naam 1] te kennen gegeven klachtonderdeel d te laten vallen en de hogerberoepsgronden 1, 2 en 9 geheel en hogerberoepsgrond 7 gedeeltelijk in te trekken. Hogerberoepsgrond 1 had betrekking op overweging 4.2 van de bestreden uitspraak, waarin de accountantskamer, verkort weergegeven, heeft geoordeeld dat de accountantskamer de klachtonderdelen die [naam 1] voor het eerst op de zitting van de accountantskamer naar voren heeft gebracht, niet in behandeling neemt, omdat de goede procesorde zich daartegen verzet. Hogerberoepsgrond 2 had betrekking op de formulering van de klacht door de accountantskamer onder overweging 3.1 van de bestreden uitspraak. Met hogerberoepsgrond 6 keerde [naam 1] zich, verkort weergegeven, tegen de ongegrondverklaring door de accountantskamer onder 4.12 van de bestreden uitspraak van klachtonderdeel d dat inhoudt dat de in het rapport gekozen bewoordingen erop duiden dat [naam 2] en [naam 3] onvoldoende objectief waren bij het opstellen van het rapport. Uit de mededeling ter zitting dat [naam 1] dit klachtonderdeel laat vallen, maakt het College op dat zij het oordeel van de accountantskamer over dit klachtonderdeel niet langer betwist en hogerberoepsgrond 6 intrekt. [naam 1] heeft hogerberoepsgrond 7 gedeeltelijk ingetrokken, namelijk voor zover gericht tegen de overweging van de accountantskamer onder 4.15 van de bestreden uitspraak dat, verkort weergegeven, de kring van verspreiding van het rapport meermalen is gewijzigd en dat die wijziging al in de conceptrapporten was opgenomen zodat [naam 1] daarvan kennis kon nemen. Met hogerberoepsgrond 9 had [naam 1] zich, verkort weergegeven, gekeerd tegen de ongegrondverklaring door de accountantskamer van klachtonderdeel f, voor zover de accountantskamer onder 4.17 en 4.18 van de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat de klacht dat [naam 2] en [naam 3] het “Brugstaatdossier” niet bij hun onderzoek hebben betrokken geen zelfstandige betekenis meer heeft en dat [naam 2] en [naam 3] het “Brugstaatdossier” hebben bestudeerd en dat dit tot een aantal in het eindrapport opgenomen bevindingen heeft geleid. Doordat [naam 1] de hogerberoepsgronden 1, 2, 6 en 9 geheel en hogerberoepsgrond 7 gedeeltelijk heeft ingetrokken, zal het College de hogerberoepsgronden 1, 2, 6 en 9 niet beoordelen en hogerberoepsgrond 7 alleen voor zover gehandhaafd door [naam 1] .
3.2
Het College zal de hogerberoepsgronden 3, 4 en 5 en vervolgens de hogerberoepsgronden 7 en 8 telkens tezamen bespreken, omdat die hogerberoepsgronden samenhang in onderwerp vertonen, gevolgd door de beoordeling van hogerberoepsgrond 10.
3.3
De bespreking van de hogerberoepsgronden leidt tot het oordeel dat de accountantskamer de klacht terecht ongegrond heeft verklaard.
Hogerberoepsgronden 3, 4 en 5: de aanvaarding van de opdracht
4.1
Deze hogerberoepsgronden hebben betrekking op de klachtonderdelen a (de rationaliteit en het doel van het onderzoek en het normenkader ontbreken), b ( [naam 2] kent de directrice van CoBO persoonlijk en had daarom de opdracht niet mogen aanvaarden) en c (het werkelijke doel van het Filmfonds en CoBO was om het imago van [naam 1] te beschadigen). Uit oogpunt van chronologie van de door [naam 1] aangevoerde omstandigheden van de aanvaarding van de opdracht door [naam 2] en [naam 3] , zal het College hierna eerst hogerberoepsgrond 4 bespreken.
4.2
Met hogerberoepsgrond 4, die betrekking heeft op klachtonderdeel b, keert [naam 1] zich tegen het oordeel van de accountantskamer onder 4.9 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer, verkort weergegeven, overwogen dat het feit dat [naam 2] en de directrice van CoBO elkaar kennen mogelijk een bedreiging van het fundamentele beginsel van objectiviteit oplevert, omdat een accountant zich bij zijn professionele oordeelsvorming niet ongepast mag laten beïnvloeden, maar dat daarvan in dit geval geen sprake was. Volgens [naam 1] heeft de accountantskamer ten onrechte geoordeeld dat de door haar aangevoerde omstandigheden, namelijk dat [naam 2] gedurende vier dagdelen een college heeft verzorgd waaraan de directrice van CoBO heeft deelgenomen en dat hij aan haar een diploma heeft uitgereikt, onvoldoende aanleiding vormen om aan te nemen dat sprake was van een bedreiging van de objectiviteit van [naam 2] .
4.3
Op de zitting van het College heeft [naam 1] toegelicht dat de directrice en de controller van CoBO de post-masteropleiding Financieel forensisch deskundige hebben gevolgd. [naam 2] heeft als docent twee modules van die opleiding verzorgd, waarbij de groepsgrootte was beperkt tot het kleine aantal van twintig cursisten. Ook heeft [naam 2] als docent zitting genomen in de kleine examencommissie waarvoor de cursisten papers presenteerden en verdedigden. [naam 2] heeft daardoor een nauwe band met zijn cursisten. Bovendien heeft [naam 2] als directeur van de post-masteropleiding een nauwe betrokkenheid bij de opleiding. [naam 2] heeft betwist dat de relatie met de directrice en controller van CoBO van dien aard was dat er sprake zou zijn van een bedreiging van zijn objectiviteit.
4.4
Bij het beoordelen van deze hogerberoepsgrond betrekt het College het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek van [naam 2] en [naam 3] als een persoonsgericht onderzoek als bedoeld in de NBA Handreiking 1112 moet worden aangemerkt, zoals de accountantskamer onder 4.5 van de bestreden uitspraak terecht heeft geoordeeld. In de NBA Handreiking 1112 staat dat een te grote mate van vertrouwdheid als gevolg van een nauwe persoonlijke of zakelijke relatie met de (potentiële) cliënt of zijn bestuur een bedreiging van het fundamentele beginsel van objectiviteit kan opleveren. Naar het oordeel van het College behoefde [naam 2] de enkele omstandigheid dat de directrice en de controller van CoBO de post-masteropleiding Financieel forensisch deskundige hebben gevolgd, waarbij hij als directeur en docent betrokken is, op zichzelf niet te onderkennen als bedreiging van het fundamentele beginsel van objectiviteit. Ook in het licht van de op zitting genoemde omstandigheden omtrent die opleiding, heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een te grote mate van vertrouwdheid tussen [naam 2] en de directrice van CoBO.
4.5
Gelet op het voorgaande slaagt hogerberoepsgrond 4 niet.
4.6
De hogerberoepsgronden 3 en 5 zien op de ongegrondverklaring door de accountantskamer van de klachtonderdelen a (de rationaliteit en het doel van het onderzoek en het normenkader ontbreken) en c (het werkelijke doel van het Filmfonds en CoBO was om het imago van [naam 1] te beschadigen). Met hogerberoepsgrond 3 voert [naam 1] aan dat de accountantskamer ten onrechte niet in haar beoordeling van klachtonderdeel a heeft betrokken dat de subsidievaststelling op grond van artikel 4:49, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet meer kon worden ingetrokken. Bovendien had [naam 1] de ontvangen subsidie al terugbetaald. Ook had het accountantskantoor MTH in het jaar 2019 al onderzoek gedaan naar onder meer de eindafrekening van de film [naam 5] en [naam 2] en [naam 3] hebben dat bij de aanvaarding van de opdracht ten onrechte niet onderkend. Met hogerberoepsgrond 5 keert [naam 1] zich tegen het oordeel van de accountantskamer onder 4.10 van de bestreden uitspraak, samengevat, dat van een onderzoek zonder rationeel doel geen sprake is, omdat het Filmfonds en CoBO aan [naam 2] en [naam 3] de opdracht hebben gegeven om een aantal voor hen relevante vragen te onderzoeken. Volgens [naam 1] zijn [naam 2] en [naam 3] rauwelijks aangevangen met hun onderzoek, want zij hadden [naam 1] eerst om een toelichting op de geconstateerde verschillen tussen de eindafrekeningen moeten vragen. Op de zitting van het College heeft [naam 1] aangevoerd dat de hiervoor genoemde omstandigheden ook in samenhang moeten worden bezien.
4.7
De door [naam 1] aangevoerde omstandigheden vormen noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de rationaliteit en het doel van het onderzoek ontbreken op grond waarvan [naam 2] en [naam 3] de opdracht niet hadden mogen aanvaarden en dat het werkelijke doel van het Filmfonds en CoBO was om het imago van [naam 1] te beschadigen. Het College licht dat als volgt toe.
4.8.1
Het College is van oordeel dat de door het Filmfonds en CoBO geconstateerde verschillen tussen de eindafrekeningen voldoende reden vormden voor het persoonsgerichte onderzoek. Anders dan [naam 1] stelt, behoefden [naam 2] en [naam 3] niet eerst [naam 1] om een toelichting op de geconstateerde verschillen tussen de eindafrekeningen te vragen, voordat zij konden aanvangen met hun onderzoek. Van een rauwelijkse aanvang met het onderzoek door [naam 2] en [naam 3] is daarom geen sprake. Bovendien heeft [naam 1] tijdens het onderzoek in het kader van hoor en wederhoor een toelichting op de verschillen tussen de eindafrekeningen kunnen geven en dat heeft zij gelet op haar schriftelijke reacties aan [naam 2] en [naam 3] daadwerkelijk gedaan.
4.8.2
Verder is het College van oordeel dat [naam 2] en [naam 3] in voldoende mate aan [naam 1] kenbaar hebben gemaakt wat de doelstelling van het onderzoek is. In de brief van 23 december 2019 heeft [naam 2] aan [naam 1] onder het kopje “Doel van het onderzoek” geschreven dat het onderzoek een drieledig doel heeft, namelijk – verkort weergegeven – (1) de opgevoerde kosten in de eindafrekeningen van de film [naam 5] onderzoeken en vaststellen of deze kosten een directe relatie hebben met de vervaardiging van de film, (2) het scheppen van duidelijkheid over de verschillen tussen de eindafrekeningen en (3) het vervaardigen van een onderzoeksrapport van een forensisch accountant dat kan dienen als basis voor vervolgstappen. Ook hebben [naam 2] en [naam 3] in het definitieve rapport van 7 september 2020 het drieledige doel van het onderzoek als zodanig omschreven.
4.8.3
Het College is niet gebleken dat het werkelijke doel van Filmfonds en CoBO erin was gelegen om de reputatie van [naam 1] te beschadigen en dat [naam 2] en [naam 3] daaraan hun medewerking hebben verleend. Op de zitting van het College heeft [naam 1] betoogd dat dit werkelijke doel blijkt uit de omstandigheid dat [naam 2] en [naam 3] de status van het eerste rapport van 11 april 2020 hebben teruggebracht naar die van “concept” in plaats van “definitief”. Volgens [naam 1] zouden de bevindingen in het eerste rapport naar de mening van het Filmfonds en CoBO niet belastend zijn voor [naam 1] en daarom is het onderzoek door [naam 2] en [naam 3] voortgezet. [naam 2] en [naam 3] hebben op de zitting verklaard dat zij de definitieve status van het eerste rapport hebben teruggebracht naar “concept” en tot voortzetting tot het onderzoek zijn overgegaan, omdat het Filmfonds na oplevering van het eerste rapport behoefte had aan een nadere aansluiting van de in het rapport beschreven bevindingen op de regelgeving van het Filmfonds. [naam 1] heeft dit niet weerlegd, zodat het College uitgaat van deze reden voor de voortzetting van het onderzoek. De omstandigheid dat [naam 2] en [naam 3] hun onderzoek na het eerste rapport van 11 april 2020 hebben voortgezet, levert dan ook geen aanknopingspunt op voor het oordeel dat het werkelijke doel van de opdracht was om de reputatie van [naam 1] Pictures te beschadigen.
4.8.4
Het College volgt [naam 1] niet in haar betoog dat de omstandigheid dat het accountantskantoor MTH in het jaar 2019 al onderzoek heeft gedaan naar onder meer de eindafrekening van de film [naam 5] , een beletsel voor [naam 2] en [naam 3] vormde om de opdracht te aanvaarden. Over dit onderzoek heeft het accountantskantoor MTH in een brief van 4 april 2019 aan het Filmfonds geschreven dat zij, in aanvulling op het onderzoek dat één van haar accountants had verricht en dat heeft geleid tot de goedkeurende accountantsverklaring van 9 juli 2014 bij de eindafrekening van de film [naam 5] , een onderzoek heeft uitgevoerd naar diezelfde eindafrekening. Het onderzoek dat het accountantskantoor MTH in het jaar 2019 heeft verricht, zag alleen op de eindafrekening die [naam 1] bij het Filmfonds had ingediend, en zag dus niet op de verschillen tussen de eindafrekeningen bij het Filmfonds en CoBO en het onderzoek gaf daarover ook geen opheldering. In zoverre verschilt het onderzoek van het accountantskantoor MTH van het onderzoek van [naam 2] en [naam 3] .
4.8.5
Naar het oordeel van het College stond ook aan aanvaarding van de opdracht door [naam 2] en [naam 3] niet in de weg dat [naam 1] de ontvangen subsidie al had terugbetaald en dat de subsidievaststelling mogelijk niet meer kon worden ingetrokken op grond van artikel 4:49, derde lid, van de Awb. In de NBA Handreiking 1112 staat namelijk dat het object van persoonsgericht onderzoek het functioneren, handelen of nalaten van een (rechts)persoon is. Zoals de accountantskamer onder 4.5 van de bestreden uitspraak terecht heeft overwogen, is voor het uitvoeren van een persoonsgericht onderzoek niet vereist dat daarmee een financieel belang is gemoeid.
4.9
Gelet op het voorgaande slagen ook de hogerberoepsgronden 3 en 5 niet.
Hogerberoepsgronden 7 en 8: de wijze waarop [naam 2] en [naam 3] het onderzoek hebben uitgevoerd
5.1
Deze hogerberoepsgronden hebben betrekking op de klachtonderdelen e (onverklaarbare verschillen tussen de drie rapporten, conceptrapport niet voorgelegd aan het accountantskantoor MTH en niet alle stukken betrokken bij het onderzoek) en f (beginsel van hoor en wederhoor is geschonden). Met hogerberoepsgrond 7 voert [naam 1] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte niet heeft geoordeeld dat [naam 2] en [naam 3] tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld bij de oplevering van de rapporten. Na het eerste rapport is de omvang en reikwijdte van het onderzoek vergroot. Bovendien zijn er volgens [naam 1] onverklaarbare verschillen tussen de verschillende rapporten. [naam 1] heeft verder aangevoerd dat [naam 2] en [naam 3] niet alle stukken die zij aan hen heeft verstrekt, hebben betrokken bij hun onderzoek. Met hogerberoepsgrond 8 keert [naam 1] zich tegen het oordeel van de accountantskamer onder 4.16 van de bestreden uitspraak, verkort weergegeven, dat [naam 2] en [naam 3] de conceptrapporten niet voor hoor en wederhoor aan het accountantskantoor MTH behoefden voor te leggen.
5.2
Voorafgaand aan de zitting bij het College heeft [naam 1] nadere stukken in het geding gebracht, waaronder stukken die zij van het Filmfonds heeft verkregen na een door haar gedaan verzoek krachtens de Wet open overheid (Woo). Op de zitting heeft [naam 1] aan de hand van deze stukken betoogd, samengevat, dat [naam 2] en [naam 3] zich bij de uitvoering van de opdracht ongepast hebben laten beïnvloeden door het Filmfonds en CoBO. Het College komt in deze procedure aan een beoordeling van dat verwijt niet toe, omdat dit verwijt niet is te herleiden tot het klaagschrift van [naam 1] . Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van het College van 18 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:659)) is een uitbreiding van de klacht in hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer niet mogelijk. Daarom heeft het College bij de beoordeling van de hogerberoepsgronden 7 en 8 de stukken die [naam 1] van het Filmfonds heeft verkregen na het Woo-verzoek buiten beschouwing gelaten.
5.3
Het College volgt [naam 1] niet in haar betoog dat [naam 2] en [naam 3] tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door de wijze waarop zij hun onderzoek hebben uitgevoerd en licht dat als volgt toe.
5.4.1
Naar het oordeel van het College heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] en [naam 3] drie rapporten hebben gemaakt met onverklaarbare verschillen, want zij heeft niet onderbouwd waarin die verschillen zijn gelegen en waarom deze verschillen onverklaarbaar zijn. Alleen al daarom slaagt deze stelling niet.
5.4.2
Ook heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] en [naam 3] niet alle stukken die zij aan hen heeft verstrekt bij hun onderzoek hebben betrokken. [naam 2] en [naam 3] hebben deze stelling van [naam 1] betwist en in het rapport van 7 september 2020 hebben zij onder het kopje “Ter beschikking gestelde gegevens” uiteengezet welke, onder meer door [naam 1] , ter beschikking gestelde bescheiden en gegevens zij bij hun onderzoek hebben betrokken. Daarom slaagt ook deze stelling niet.
5.4.3
Verder is het College met de accountantskamer van oordeel dat [naam 2] en [naam 3] de conceptrapporten in het kader van hoor en wederhoor niet behoefden voor te leggen aan het accountantskantoor MTH. Bij persoonsgerichte onderzoeken bestaat volgens de NBA Handreiking 1112 het object van onderzoek uit het functioneren, het handelen of nalaten van een betrokkene, te weten een (rechts)persoon, niet zijnde de opdrachtgever(s) die onderwerp is van het persoonsgericht onderzoek, en dient die (rechts)persoon te worden gehoord en in de gelegenheid te worden gesteld middels wederhoor te reageren op de bevindingen en conclusies van het onderzoek(srapport) (zie de uitspraak van het College van 18 juli 2023, (ECLI:NL:CBB:2023:377)). Gelet op de onderzoeksopdracht van het Filmfonds aan [naam 6] en [naam 2] en [naam 3] , was niet het accountantskantoor MTH maar, verkort weergegeven, het functioneren van [naam 1] object van onderzoek, meer in het bijzonder de eindafrekeningen van de door [naam 1] geproduceerde film [naam 5] . Bovendien bevat het rapport van 7 september 2020 van [naam 2] en [naam 3] geen oordeel over de door het accountantskantoor MTH uitgevoerde werkzaamheden. Hoor en wederhoor van accountantskantoor MTH was dus niet vereist.
5.5
Met het voorgaande slagen hogerberoepsgronden 7 en 8 niet.
Hogerberoepsgrond 10: de beslissing in de bestreden uitspraak
6.1
Met hogerberoepsgrond 10 keert [naam 1] zich tegen de beslissing van de accountantskamer dat de klacht ongegrond wordt verklaard.
6.2
Gelet op wat het College bij de beoordeling van de hogerberoepsgronden 3, 4, 5, 7 en 8 heeft overwogen, is het College van oordeel dat die hogerberoepsgronden niet slagen. Daarmee slaagt ook hogerberoepsgrond 10 niet.
Conclusie
7 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
8 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. S.C. Stuldreher en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. D.L. van Hal-Vermeer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. D.L. van Hal-Vermeer