De vennootschap exploiteert een agrarische onderneming en kreeg van de minister een boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en fosfaat. De minister berekende de mestproductie met forfaitaire normen, welke de vennootschap betwistte met alternatieve berekeningen gebaseerd op stalbalansen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vennootschap ongegrond.
In hoger beroep stelde de vennootschap dat de minister onterecht van forfaitaire normen uitging en onvoldoende rekening hield met gasvormige stikstofverliezen bij graasdieren. Het College oordeelde dat de vennootschap niet aannemelijk had gemaakt dat de normen waren overschreden, omdat haar alternatieve berekeningen onvoldoende controleerbaar en incompleet waren. De forfaitaire normen zijn volgens het College passend en bevatten reeds een stikstofcorrectie.
Verder werd de boete gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het College een aanvullende matiging toepaste bovenop de reeds door de minister toegekende korting. Het College vernietigde het bestreden besluit en stelde de boete vast op € 5.890,45. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten voor het verzoek tot matiging van de boete.