Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2025:172

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
15 maart 2025
Zaaknummer
23/1873
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 5.8 Regeling houders van dierenArt. 4 Verordening (EG) nr. 1099/2009Art. 7:2 AwbArt. 7:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete slachterij wegens niet gevolgd bedwelmingsprotocol geitenbokje deels gematigd

Een toezichthouder van de NVWA constateerde op camerabeelden dat een geitenbokje in een slachterij werd bedwelmd zonder dat het voorafgaand werd gestoken om te verbloeden, wat een overtreding is van de Wet dieren en bijbehorende regelgeving. De minister legde daarop een boete van € 2.500,- op. De slachterij stelde bezwaar in en voerde onder meer aan dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete volgens het interne matigingsbeleid van de NVWA met 10% verminderd zou moeten worden vanwege de termijn tussen overtreding en boeteoplegging.

De rechtbank Rotterdam matigde de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwierp de overige beroepsgronden. Het College van Beroep bevestigt dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door de hoorzitting te plannen op een datum waarop de slachterij niet kon verschijnen, maar oordeelt dat de slachterij hierdoor niet is benadeeld omdat zij haar standpunten schriftelijk en mondeling heeft kunnen toelichten.

Het College stelt vast dat de overtreding niet wordt bestreden en dat het interne matigingsbeleid van de NVWA een korting van 10% voorschrijft wanneer meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen de overtreding en het opleggen van de boete. Omdat de termijn van zeven maanden was verstreken bij het voornemen tot boeteoplegging, had de minister de boete moeten matigen. Het College vernietigt daarom het besluit op bezwaar en het boetebesluit voor zover de boete hoger is dan € 2.250,- en legt de minister op de proceskosten en griffierechten aan de slachterij te vergoeden.

Uitkomst: De boete tegen de slachterij wordt verlaagd tot maximaal € 2.250,- vanwege het interne matigingsbeleid en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1873

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 op het hoger beroep van:

Vee- en Vleeshandel [naam] B.V., te [woonplaats] (slachterij)

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2023, kenmerk ROT 22/302 in het geding tussen

de slachterijendeminister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman)

Procesverloop in hoger beroep

De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8749 (aangevallen uitspraak).
De zitting was op 11 februari 2025. Partijen zijn daar niet verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, verwijst het College naar de aangevallen uitspraak.
1.2
Op 11 januari 2021 zag een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de camerabeelden in de slachterij van 17 december 2020 dat een geitenbokje werd bedwelmd en aangehaakt zonder dat het bokje voorafgaand aan de slacht werd gestoken om te verbloeden.
1.3
Met het besluit van 24 september 2021 heeft de minister op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren een boete van € 2.500,- opgelegd aan de slachterij, omdat de eenvoudige bedwelming van het geitenbokje niet is gevolgd door steken om te verbloeden om de dood te garanderen (een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren en met artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden). De minister heeft het voornemen om die boete op te leggen op 27 juli 2021 schriftelijk aan de slachterij kenbaar gemaakt.
1.4
In het besluit op bezwaar van 23 december 2021, waar het beroep bij de rechtbank tegen was gericht, heeft de minister het bezwaar van de slachterij ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft de beroepsgronden van de slachterij verworpen, maar het beroep gegrond verklaard en de boete gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen:
6.4.1. (…)
Bij brief van 10 december 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens heeft verweerder eiseres op 13 december 2021 uitgenodigd voor een hoorzitting op 20 december 2021 […]. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van eiseres verweerder bericht dat hij op 20 december 2023 verhinderd is. Op verzoek van verweerder heeft de gemachtigde van eiseres in een e-mailbericht van 14 december 2021 aangegeven dat een collega de hoorzitting ook niet kan doen en welke dagen hijzelf verhinderd is van 25 december 2021 tot en met 10 januari 2022. Hierop heeft de gemachtigde van verweerder […] diezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres bericht eventueel één of twee dagen te kunnen schuiven in de planning van de hoorzitting maar niet voornemens te zijn dit op de lange baan te schuiven, tenzij eiseres de ingebrekestelling intrekt […]. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder bericht dat hij op 20 december 2021 verhinderd is en blijft, waarna de gemachtigde van verweerder […] heeft aangegeven dat […] hij ook bereid is de hoorzitting naar de avonduren van 20 of 21 december 2021 te verschuiven. Op 20 december 2021 heeft de gemachtigde van verweerder naar het kantoor van de gemachtigde van eiseres gebeld voor het houden van een telefonische hoorzitting maar heeft met de gemachtigde van eiseres geen contact gekregen. Drie dagen later heeft verweerder de beslissing op bezwaar genomen, zonder dat eiseres is gehoord.
6.4.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee de hoorplicht geschonden. Eiseres heeft onverkort gehandhaafd dat zij wilde worden gehoord en haar gemachtigde heeft meerdere data opgegeven waarop hij beschikbaar was. Het was dus niet onmogelijk om een hoorzitting op een andere datum dan 20 december 2021 te plannen. Dat verweerder vanwege de ingebrekestelling de hoorzitting op een zeer korte termijn wilde plannen, wat niet mogelijk bleek te zijn, kon geen reden zijn om van het horen af te zien. […] Verweerder heeft dus in strijd gehandeld met artikel 7:2 van Pro de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Eiseres heeft immers in bezwaar en beroep schriftelijk alles kunnen aanvoeren wat zij wilde aanvoeren. Daarnaast is haar […] de gelegenheid geboden om op een zitting mondeling haar standpunten toe te lichten, maar daar heeft eiseres geen gebruik van gemaakt.
6.5 […]
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat er feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen.”

Standpunt van partijen

3.1
De slachterij stelt dat het onrechtmatig is om het schenden van de hoorplicht in bezwaar af te doen met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2
Verder stelt de slachterij dat volgens intern beleid de NVWA de boete matigt met 10% als er meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen het moment van de overtreding en het aanzeggen van de boete.
3.3
De minister betwist dat hij de hoorplicht heeft geschonden. De slachterij heeft hem in gebreke gesteld en dat dwong hem om binnen twee weken de hoorzitting te houden. De slachterij is niet verschenen op de hoorzitting van 20 december 2021. De slachterij heeft wel aangegeven dat zij niet aanwezig kon zijn, maar niet gemotiveerd waarom zij verhinderd was. De minister mocht daarom van het horen afzien.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
4.1
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Hoewel de Awb geen termijn noemt voor het uitnodigen voor de hoorzitting, volgt uit het bepaalde in artikel 7:4, eerste lid, van de Awb — belanghebbenden kunnen tot tien dagen voor het horen nadere stukken indienen — dat deze termijn langer dan tien dagen moet zijn. De uitnodiging van 13 december 2021 kon dus (zonder de instemming van de slachterij en ongeacht de ingebrekestelling) geen vroegere hoorzitting uitschrijven dan 24 december 2021, het College verwijst in dat verband naar zijn uitspraak van 25 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:41).
4.2
De slachterij is, zoals de rechtbank terecht overweegt, door de schending van de hoorplicht niet benadeeld. Zij heeft ook in bezwaar, beroep en hoger beroep schriftelijk en op de zitting mondeling alles kunnen aanvoeren wat zij wilde. Na de wijziging van artikel 6:22 Awb Pro (per 1 januari 2013) is het vaste rechtspraak dat de bestuursrechter deze bepaling kan gebruiken om de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase te passeren (vergelijk de uitspraak van het College van 2 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:250). Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3
Het College overweegt verder dat de slachterij de beschrijving van het filmpje aan de hand waarvan de overtreding is vastgesteld, niet bestrijdt. Het College gaat dan ook uit van die beschrijving. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding, waarbij het bewijs onafhankelijk is van de wil van de slachterijmedewerkers.
4.4
Voor de onderbouwing dat de minister op grond van intern beleid de boete matigt, verwijst de slachterij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:9460):
“6.5 Verweerder heeft op de zitting echter naar voren gebracht dat inmiddels in deze zaken de interne werkinstructie wordt gehanteerd dat een boete wordt gematigd als er meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen het moment van de overtreding en het aanzeggen van de boete. Als er zeven tot veertien maanden zijn verstreken, matigt verweerder de boete met 10 % […]”
4.5
Ook het College had, zoals in zijn uitspraak van 22 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:732), gesignaleerd dat de minister een matigingsbeleid voert:
“6.4 […] Zoals de minister ook heeft uiteengezet moet op grond van het interne beleid van de NVWA op een boete wel een korting worden toegepast van 10% als meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen de datum van de overtreding en het op de hoogte brengen van de overtreder. […]”
4.6
Verder verwijst de slachterij hiervoor naar een fragment uit, naar het College aanneemt, een processtuk in een andere zaak waarin onder meer valt te lezen:
“Niettemin voer ik het beleid dat wanneer tussen de dagtekening van het NVWA-rapport en de oplegging […] meer dan 26 weken zijn verstreken, de boete […] met 10% wordt gematigd (…)”
4.7
Het College stelt voorop dat de slachterij, anders dan de rechtbank aanneemt, al in het beroep bij de rechtbank zich op dit matigingsbeleid heeft beroepen.
4.8
De weergave van het gevoerde matigingsbeleid in het fragment van het processtuk verschilt van dat in de uitspraken van de rechtbank en het College. Omdat het gaat om een fragment en de context niet duidelijk is, houdt het College het er op dat de weergave van het intern matigingsbeleid in zijn uitspraak van 22 oktober 2024 juist is. Het matigingsbeleid gaat dus uit van een termijn van zeven (en niet zes) maanden.
4.9
In dit geval heeft de slachterij de overtreding begaan op 17 december 2020. De termijn van zeven maanden eindigt daarmee op 17 juli 2021. Dat de minister de overtreding pas heeft ontdekt op 11 januari 2021 is daarbij van geen belang, nu dat tijdstip van ontdekking volledig afhankelijk was van het door de minister zelf gekozen controlemoment.
4.1
Het voornemen tot boeteoplegging is gedateerd 27 juli 2021. Op dat moment waren meer dan zeven maanden verstreken en de minister was gehouden overeenkomstig zijn werkinstructie de boete met 10% te matigen. De rechtbank is daaraan ten onrechte voorbij gegaan en de aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.
4.11
Het College zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen en het beroep gegrond verklaren, het besluit op bezwaar van 23 december 2021 vernietigen, en het besluit van 24 september 2021 herroepen in zoverre daarbij een boete is opgelegd van meer dan € 2.250,-.
4.12
Tevens zal het College de minister veroordelen in de kosten van het geding in beroep en hoger beroep en tot vergoeding van de door de slachterij in bezwaar gemaakte kosten. Deze begroot het College op grond van het Proceskostenbesluit bestuursrecht op € 2.461,- (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 907). Ook zal de minister het door de slachterij betaalde griffierecht (in hoger beroep € 548 en beroep
€ 365) moeten vergoeden.
4.13
Ten slotte stelt het College vast dat er, anders dan ten tijde van de uitspraak van de rechtbank, geen sprake (meer) is van een overschrijding van de redelijke termijn. Gerekend vanaf het voornemen tot het opleggen van een boete, 27 juli 2021, is er namelijk nog geen vier jaar verstreken.

Beslissing

Het College:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 december 2021;
  • herroept het boetebesluit van 24 september 2021 voor zover daarin een hogere boete is opgelegd dan € 2.250,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de slachterij tot € 2.461,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 913,- aan de slachterij te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. B.W.N. van den Oever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
De rechter is verhinderd deze uitspraak w.g. B.W.N. van den Oever
mede te ondertekenen.