ECLI:NL:CBB:2024:779
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 wegens te late indiening
De onderneming diende een subsidieaanvraag in voor de vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020, maar buiten de daarvoor geldende aanvraagperiode van 25 november 2020 tot en met 29 januari 2021. De minister wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De onderneming stelde dat zij geen aanvraag binnen de termijn had ingediend omdat zij verwachtte dat deze zou worden afgewezen, mede op grond van eerdere jurisprudentie en bestuurspraktijk. Zij betoogde dat de minister hierdoor in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, en dat het evenredigheidsbeginsel toepassing behoefde te vinden.
Het College oordeelde dat de aanvraag terecht was afgewezen omdat de indiening buiten de gestelde termijn plaatsvond, een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regeling. Het College bevestigde dat de minister een vaste werkwijze hanteert waarbij alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals ernstige persoonlijke omstandigheden, van de termijn kan worden afgeweken. De onderneming had geen bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking rechtvaardigen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur werd verworpen omdat de situatie van de onderneming niet vergelijkbaar was met andere ondernemers die tijdig een aanvraag hadden ingediend.
Het College stelde vast dat de financiële gevolgen voor de onderneming door de late indiening niet leiden tot een onevenredige uitkomst. De onderneming droeg zelf het risico van haar keuze om geen tijdige aanvraag in te dienen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te late indiening wordt ongegrond verklaard.