ECLI:NL:CBB:2024:414

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
14 juni 2024
Zaaknummer
23/466
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 op nul euro

De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft aan de onderneming de subsidie voor de vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het vierde kwartaal van 2021 vastgesteld op nul euro en het betaalde voorschot teruggevorderd. De onderneming stelde bezwaar in, omdat zij meent dat de omzet die in de aangifte omzetbelasting over Q4 2021 is opgenomen deels betrekking heeft op prestaties uit Q3 2021, waardoor zij volgens eigen administratie wel aan het vereiste omzetverlies van 20% voldoet.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het beroep zonder zitting behandeld en geoordeeld dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de aangifte omzetbelasting als uitgangspunt dient voor de omzetbepaling bij de TVL-regeling, mede om uitvoerbaarheid en administratieve lasten te beperken.

Het College concludeert dat het beroep kennelijk ongegrond is en verklaart het ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein op 18 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de subsidie blijft vastgesteld op nul euro.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/466
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] (de onderneming)

(gemachtigde: J. van Elk)
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

Procesverloop

Met het besluit van 27 oktober 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 14.715,- teruggevorderd.
Met het besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling

Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij een partycentrum exploiteert. In Q3 van 2021 zijn daar nog feesten en partijen gegeven en alle facturen daarvoor zijn in Q4 van 2021 verstuurd. Deze omzet hoort dus bij Q3 van 2021, maar is in de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 opgenomen. In Q4 van 2021 ging de sector weer ‘op slot’ en heeft de onderneming omzetverlies geleden. De onderneming verzoekt daarom de omzet aan te passen aan de hand van haar eigen financiële administratie, en niet uit te gaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). [1] Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister er bij de berekening van het omzetverlies terecht geen rekening mee heeft gehouden dat (een deel van) de aan de Belastingdienst over Q4 van 2021 opgegeven omzet betrekking heeft op prestaties die zijn geleverd in Q3 van 2021.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl