De onderneming, opgericht in juli 2018, vroeg subsidie aan op grond van de TVL-startersregeling voor het vierde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022. De minister wees deze aanvragen af omdat de onderneming niet was ingeschreven in het handelsregister binnen de vereiste periode van 1 juli 2020 tot en met respectievelijk 30 juni 2021 en 30 september 2021.
De onderneming voerde aan dat het moment van daadwerkelijke start van de exploitatie van het hotel in mei 2021 bepalend zou moeten zijn voor de beoordeling als starter en dat de inschrijvingseis buiten toepassing moet worden gelaten op grond van het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het College overwoog dat de regeling juist is bedoeld om een specifieke groep startende ondernemers af te bakenen en dat de minister gebonden is aan de wettelijke voorwaarden.
Het College verwierp het beroep van de onderneming en bevestigde dat de inschrijvingseis niet buiten toepassing kan worden gelaten. Ook de omstandigheden rond de bouw en vergunningen van het hotel rechtvaardigen geen afwijking. De beroepen worden ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.