ECLI:NL:CBB:2024:324
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afwijkende referentieperiode bij subsidie vaste lasten COVID-19
De onderneming, een horecagelegenheid, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat de onderneming niet voldeed aan het vereiste van minimaal 20% omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode (Q3 2020) en omdat de vaste lasten minder dan €1.500 bedroegen.
De onderneming stelde dat vanwege vertragingen bij de gemeente in het verkrijgen van vergunningen en de late start van haar activiteiten, een andere referentieperiode gehanteerd moest worden dan de standaard in de TVL-regeling. Het College oordeelde echter dat de regeling duidelijk voorschrijft dat de referentieperiode voor ondernemingen die na 30 september 2019 zijn ingeschreven, de keuze is tussen Q3 2020 of het eerste volledige kalenderkwartaal na inschrijving. De onderneming had Q3 2020 gekozen, waarin zij nog geen omzet had, en de regeling biedt geen ruimte voor afwijking.
Het College wees het beroep af omdat de minister terecht geen uitzondering maakte op de referentieperiode. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat de minister niet verplicht is om eerdere fouten te herhalen. De NOW-subsidie is een andere regeling en rechtvaardigt geen afwijking bij de TVL. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.