Het geschil betreft een randvoorwaardenkorting die de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit oplegde aan een landbouwbedrijf vanwege het niet permanent beschikbaar stellen van voldoende eet- en wroetbaar materiaal aan varkens, zoals vereist in artikel 2.22, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.
Na een controle door de NVWA bleek dat de varkens voornamelijk alleen beschikten over niet-eet- en wroetbare materialen zoals kunststof kettingen en buizen. Het bedrijf betwistte de uitleg van de norm en stelde dat alleen de letterlijke tekst van het Besluit geldt, zonder betekenis toe te kennen aan de Aanbeveling van de EU of de brochure van Wageningen University & Research.
Het College oordeelde dat de tekst van artikel 2.22, eerste lid, duidelijk is en dat alleen materialen die eet- en wroetbaar zijn, voldoen aan de norm. De niet-eet- en wroetbare materialen voldeden niet aan deze eis, waardoor de minister terecht een korting van 5% oplegde. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.