De zaak betreft een beroep van [naam 1] B.V. tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat tot afwijzing van een subsidieaanvraag op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) voor het eerste kwartaal van 2021.
[naam 1] stelde zich primair op het standpunt dat zij recht had op een TVL-subsidie en subsidiair dat zij een startende onderneming was binnen de betekenis van de SVL. De minister wees de aanvraag af omdat de onderneming geen startende onderneming was, aangezien de inschrijfdatum van de verbonden ondernemingen in het handelsregister niet op of na 1 oktober 2019 lag en er sprake was van een voortzetting van een bestaande onderneming.
Het College oordeelde dat de juridische herstructurering waarbij enkel de juridische huls van de onderneming werd gewijzigd, niet leidt tot een nieuwe startende onderneming. De kenmerkende eigenschappen zoals exploitatie, personeel, klantenbestand en vestigingsadres bleven gelijk, waardoor sprake is van voortzetting.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het College bepaalde tevens dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed en veroordeelde de minister in de proceskosten van appellante.