Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2022 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
(…)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een diergezondheidsheffing vastgesteld voor een pluimveehouder op basis van het aantal kippen dat op 6 mei 2020 in de stal werd geplaatst. De pluimveehouder stelde dat alle kippen op 8 augustus 2020 door een stalbrand waren omgekomen en verzocht om herberekening van de heffing naar rato van het aantal dagen dat de dieren daadwerkelijk aanwezig waren.
De minister wees dit bezwaar af, stellende dat de wetgeving geen ruimte biedt voor aanpassing van de heffing bij calamiteiten zoals een stalbrand. Het College bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de wetgever het risico van dierziekten en calamiteiten als een normaal bedrijfsrisico beschouwt dat door alle pluimveehouders gezamenlijk wordt gedragen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat er geen sprake was van ongelijke behandeling ten opzichte van andere pluimveehouders. Het College concludeerde dat het ontbreken van een calamiteitenregeling in de wet niet leidt tot een onrechtmatige situatie die de heffing zou moeten wijzigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de pluimveehouder tegen de diergezondheidsheffing na stalbrand is ongegrond verklaard.