ECLI:NL:CBB:2021:656
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet
Appellante exploiteert een melkveehouderij en had plannen om uit te breiden met een nieuwe stal en veestapel. Door vertragingen in de vergunningverlening en het vaststellen van een bijzondere emissiefactor kon de uitbreiding niet vóór de peildatum 2 juli 2015 worden gerealiseerd. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de veestapel op die peildatum.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en dat het stelsel een individuele en buitensporige last oplegt, mede vanwege onomkeerbare investeringen en vertragingen die niet haar schuld waren. Verweerder stelde dat vertragingen voor risico van appellante komen en dat het stelsel noodzakelijk is ter bescherming van milieu en volksgezondheid.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM en dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan die van appellante. De investeringsbeslissingen van appellante zijn ondernemersrisico's die zij zelf draagt. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.