ECLI:NL:CBB:2021:62
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: geen individuele en buitensporige last door fosfaatrechtenstelsel
Appellante, exploitant van een melkveebedrijf, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin het fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de dieraantallen per 2 juli 2015. Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en dat sprake is van een individuele en buitensporige last vanwege investeringen in een nieuwe melkveestal en melkrobots.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat het stelsel voorzienbaar was gezien de afschaffing van het melkquotum en de beleidsmaatregelen die vanaf 2009 te verwachten waren. Verder weegt het College mee dat ondernemersbeslissingen inherent risico's met zich meebrengen en dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last oplevert.
Hoewel appellante financieel geraakt wordt door het stelsel, is dit onvoldoende om van een individuele en buitensporige last te spreken. De investeringen en uitbreidingsbeslissingen zijn genomen in een periode waarin het redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat groei beperkt zou worden. De belangen van milieu en volksgezondheid en de naleving van de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan de belangen van appellante.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het fosfaatrechtenbesluit is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een individuele en buitensporige last.