Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen
handelend onder de naam Melkveebedrijf [naam 2], te [plaats] , appellant
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant, een melkveehouder, betwistte het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht op zijn bedrijf werd vastgesteld. Hij voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel onvoldoende grondslag vindt in de Nitraatrichtlijn en ongeoorloofde staatssteun inhoudt. Tevens stelde hij dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor hem oplevert vanwege investeringen en dierziekte.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat de Europese Commissie het stelsel heeft goedgekeurd als milieumaatregel zonder ongeoorloofde staatssteun. Verder werd geoordeeld dat appellant financieel weliswaar is geraakt, maar dat dit niet leidt tot een individuele en buitensporige last omdat hij op 2 juli 2015 niet beschikte over alle benodigde vergunningen en investeringsbeslissingen voor zijn rekening en risico zijn.
Het College verwees naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat investeringen vooruitlopen op vergunningverlening en dat vertragingen in vergunningverlening voor rekening van de ondernemer komen. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan de belangen van appellant. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.