ECLI:NL:CBB:2021:427
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechten en individuele last onder Meststoffenwet
Appellante, een melkveehouder, betwistte het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet, omdat zij op de peildatum niet beschikte over alle benodigde vergunningen voor haar beoogde uitbreiding. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schendt en dat sprake is van een individuele en buitensporige last, mede vanwege investeringen die zij had gedaan in uitbreiding van haar bedrijf.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. De investeringsbeslissingen van appellante worden gezien als ondernemersrisico's die zij zelf draagt. Bovendien beschikte zij op de peildatum niet over de volledige vergunningen, waardoor geen schending van het eigendomsrecht is vastgesteld.
Verder oordeelde het College dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep was overschreden met ruim 14 maanden, waardoor appellante recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500,-. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van € 267,-. Het beroep zelf werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder veroordeeld tot betaling van € 1.500,- schadevergoeding en € 267,- proceskosten.